Vieze lucht-handel moet uitkomst bieden

Minister Pronk onderzoekt of er ruimte is om in Nederland een handel op te zetten in rechten op vervuilde lucht.

Het is voorlopig nog verre toekomstmuziek, maar minister Pronk (VROM) laat op het ogenblik serieus onderzoeken of er in Nederland mogelijkheden bestaan voor de handel in vuile lucht. Een commissie van deskundigen moet het komende jaar bekijken of er plafonds kunnen worden vastgesteld voor de uitstoot van CO2 voor zowel bedrijven als huishoudens.

In het kader van het overigens ook door Nederland nog niet geratificeerde verdrag van Kyoto moet het kabinet de uitstoot van CO2 en vijf andere zogeheten broeikasgassen tegen 2010 met zes procent hebben verminderd ten opzichte van het ijkjaar 1990. Op die wijze hopen de verdragspartijen de mondiale temperatuursstijging althans niet verder te verergeren.

Nederland kan aan die eis op dit moment bij lange na niet voldoen. Daarom is Pronk op zoek naar manieren om daarin verandering te brengen. De commissie, onder leiding van de voormalige president-directeur van het chemieconcern Montell, ir. P. Vogtländer, moet hem daarbij terzijde staan.

Een van de instrumenten waarover in Kyoto in 1997 in beginsel overeenstemming werd bereikt, is dat van de zogeheten emissiehandel, de handel in `uitstootrechten'. Om die handel op gang te brengen zouden er voor zowel bedrijven als huishoudens maxima voor de CO2-uitstoot kunnen worden vastgesteld.

Wanneer ze het maximum overschrijden, zouden ze óf een forse boete moeten betalen óf overgebleven emmissieruimte van een andere partij moeten kopen. Bedrijven of huishoudens die wel binnen het maximum blijven, kunnen hun overtollige emissierechten juist aan andere belangstellenden verkopen.

De hoop van de voorstanders van zo'n systeem is dat de maatschappij als geheel zo op de meest efficiënte wijze voldoet aan de in internationaal verband afgesproken milieu-eisen.

Hoewel nog verre van duidelijk is hoe zo'n systeem precies zou kunnen werken voor individuele huishoudens, oppert commissielid S. Schöne van het Wereldnatuurfonds dat zo'n plafond zou kunnen worden gekoppeld aan het energieverbruik van huishoudens. Als een huishouden zijn emissie-plafond overschrijdt, zou het óf een strafheffing (een soort boete) moeten betalen óf ergens extra emissieruimte moeten kopen.

Daarbij zou zo'n huishouden zelf ook enige speelruimte hebben, dankzij de liberalisering van de energiemarkt. Bij overschrijding van het emissieplafond zou een consument tegen zijn energiebedrijf idealiter kunnen zeggen: zoek voor mij ergens goedkope emissierechten. Als een bedrijf daaraan niet meewerkt kan de consument overstappen naar een ander energiebedrijf dat wel die moeite wil nemen.

Op het ogenblik geldt in Nederland nog het principe van `de vervuiler betaalt'. Dat betekent dat in eerste instantie vooral bedrijven opdraaien voor de kosten van schade die ze toebrengen aan het milieu. Het besef is echter wijd verbreid dat je vooral grotere bedrijven niet te hard moet aanpakken, anders is het risico levensgroot dat ze hun productie naar een ander land zullen verplaatsen. ,,Het is erg moeilijk om daarbij de gulden middenweg te vinden'', aldus Schöne. ,,Als je de eisen te hoog maakt, trekken de bedrijven weg; als je ze te laag houdt, stelt het allemaal niets meer voor.''

Daarom neigen sommigen er toe de aandacht voorlopig meer te richten op de zogeheten sheltered sectoren, dat wil zeggen sectoren in de economie die meer aan Nederland zijn gekluisterd en niet of nauwelijks aan buitenlandse concurrentie zijn blootgesteld. Daartoe behoren onder andere de dienstensector, de detailhandel en het openbaar vervoer maar ook individuele huishoudens. Een van de voorstanders van zo'n aanpak is de VROM-raad, een adviesorgaan van de minister. In een advies van afgelopen juni hamerde de SER er evenwel op dat het vooral van belang is dat Nederland in de pas loopt met de andere EU-landen.

    • Floris van Straaten