Engagement en integriteit

Wim Beeren wist precies wat hij wilde en zijn ideeën moesten op zijn strikt eigen wijze worden uitgevoerd. Wim Beeren was een schaker die het hele veld overzag en op het juist moment toesloeg. Wim Beeren kon kortaf zijn, had een scherpe tong, een cynische humor en herkende feilloos welke nieuwe kunst wèl of niet modieus was. Geen gemakkelijke man, maar hij had visie en een zorgvuldig uitgestippeld museumbeleid.

Zondagnacht is Wim Beeren – oud-directeur van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en het Stedelijk Museum in Amsterdam – na een ziekte toch onverwachts, 72 jaar oud, overleden. Het zijn nauw betrokken conservatoren die hem gisteren zoals hierboven hebben omschreven. Een vriend als Henk van Os, oud-directeur Rijksmuseum, prijst zijn `geweldig oog': ,,Dankzij Wim heb ik een veel breder perspectief van de moderne kunst gekregen. Hij is op dit gebied van ongelofelijke betekenis voor Nederland.'' Johan Ter Molen, jarenlang adjunct-directeur in Boijmans en nu directeur van Paleis Het Loo in Apeldoorn, wil hem herinneren als een ,,dierbare vriend, met ontzettend goede ideeën, een grote liefde en zorg voor Boijmans en met het vermogen zijn staf tot grote hoogte te enthousiasmeren.'' Wie diezelfde motivatie ontbeerde, had het moeilijk, zeggen anderen.

De strateeg Beeren, vertelt oud-Stedelijk-conservator Rini Dippel, troggelde als een diplomaat, vòòr het Glasnost-tijdperk, bij de Sovjet-musea Malevitsj-bruiklenen af. Net zo behoedzaam opereerde hij bij de Stedelijk-aankoop van een Mondriaan, die de gemeente Hilversum kwijt wilde. Hoe meer weerstand, hoe harder hij vocht, aldus ingewijden. De beleidsman Beeren weigerde om van Boijmans een cultuurhistorisch instituut maken, zoals de gemeente Rotterdam wilde. Hij zag Boijmans als een museum van moderne kunst van internationale allure, en daar zou zijn bewind inderdaad veel aan bijdragen. Zo bepleitte hij ook al bij zijn aantreden in het Stedelijk een uitbreiding om de eigen collectie èn wisselende tentoonstellingen naar behoren te presenteren. De gemeente Amsterdam kwam pas dit jaar financieel over de brug.

Wim Beeren (1928) studeerde kunstgeschiedenis in Nijmegen en promoveerde in 1976 Amsterdam met het proefschrift In relatie tot kunst: opstellen over moderne kunst, kunstenaars, kunstpolitiek en kunstkritiek. Hij had toen al tien jaar in het Haags Gemeentemuseum achter de rug. Terwijl het in alle provinciale uithoeken wemelde van Cobra, aldus Van Os, initieerde Beeren in Den Haag al begin jaren zestig ,,een fantastische, internationale tentoonstelling over Nieuwe realisten en Pop-art. Zo nieuw en uitbundig, dat je in het museum tussen de jukeboxen wilde gaan dansen.'' Kort daarop volgden twee andere `eyeopeners', Op Losse Schroeven (1969) – Kounellis, Mario Merz en andere Arte-Poveravertegenwoordigers – en de land-art manifestatie Sonsbeek buiten de perken (1971), met Robert Smithson, Robert Morris, Bruce Nauman, Wim T. Schippers en Jan Dibbets. ,,Het meest gepakt'', zoals Beeren zelf zei, was hij door de minimal art en conceptuele kunst, met name door Walter de Maria.

Nadat hij onder Edy de Wilde in het Stedelijk als hoofdconservator moderne kunst had meegewerkt aan exposities over o.a. Roy Lichtenstein en Vormen van Kleur (conceptuele kunst), vertrok Beeren in 1971 als lector kunstgeschiedenis naar de Groningse Universiteit. ,,Sommige colleges, waarbij hij twee uur over één enkel kunstwerk praatte, waren adembenememd'', herinnert zich Hanneke de Man, hoofd communicatie Boijmans. ,,Hij nam ons mee naar de Documenta van Harald Szeemann. Zulke recente kunst hadden we nog nóóit gezien.''

Eenmaal directeur van Boijmans, in 1978, vroeg Beeren connaisseur Martin Visser om diens kennis, relaties en smaakverwantschap de collectie moderne kunst uit te breiden. ,,Geen leemten invullen'', vertelt Visser, ,,maar rigoureuze keuzes maken. Ik kwam bij Beeren om te leren. En ik zou niet weten bij welke andere museumdirecteur ik wijzer had kunnen worden. Zijn solide, eerbiedwaardige uitstraling wekte veel vertrouwen bij kunstenaars en hun relaties. Hij had een integere kijk op kunst. Zonder veel woorden wisten we vaak meteen `ja, die is het, die moeten we hebben!' Stevig ruziemaken konden we ook. Wim kon bij aankoopvoorstellen wel eens onvermurwbaar zijn, en na veel bakkeleien eindelijk overstag gaan.''

Beeren verwierf voor Boijmans sleutelwerken, die alleen maar aan gewicht hebben gewonnen: Walter de Maria, Joseph Beuys, Bruce Nauman, Richard Serra, Anselm Kiefer, Claes Oldenburg. Hij initieeerde tentoonstellingen van Luciano Fabro tot Armando, van Ger van Elk tot de Duitse Neue Wilde, van Daan van Golden tot David Salle. ,,Wim Beeren had Rotterdam nooit mogen verlaten'', zegt Wim van Krimpen, straks directeur van het Haags Gemeentemuseum. ,,Bij Boijmans beleefde hij zijn glorietijd. Hij zei het zelf wel eens: `Ik had directeur willen zijn van Boijmans, maar dan in Amsterdam'. En dat was het precies!''

Zijn benoeming in het Stedelijk, 1985, ging gepaard met roddel en achterklap over hem en mede-kandidaat Rudi Fuchs. De Fuchsianen vonden Beeren `sloom', Fuchs garandeerde `avontuur en controverses'. ,,Je gaat niet iets controversieels doen, maar je doet iets dat de ene keer tot bevestiging leidt en de andere keer tot geweldige oppositie'', zei Beeren bij zijn aanstelling. Hij voelde zich ,,een academicus, verbonden met de gedachtenwereld van de kunstenaar.'' Hij had ,,een weerzin tegen de gecanoniseerde actualiteit, tegen glamour en tegen conference over kunst''. Hij wilde ,,de kunst terugbrengen naar de bedoelingen en de ideeën van de kunstenaars'', zei hij in 1990.

Rini Dippel: ,,Hij was alert, reisde veel, keek verder dan Europa, durfde het voortouw te nemen, bracht in het Stedelijk al diverse disciplines samen en wist door zijn diepgang kunstenaars aan het museum te binden.'' Dat resulteerde in grote tentoonstellingen over eigentijdse kunst uit het tot dan toe potdichte Oostblok en onbekende Zuid-Amerika. Een persoonlijk `statement' vormde Energieën, zestien installaties van veelal buitenlandse favorieten. ,,Uit zijn tentoonstellingen blijkt dat Wim een sterke voeling met zijn eigen tijd had, en een engagement van het beste soort'', zegt Ronald de Leeuw, directeur van het Rijksmuseum. In solo-overzichten kwamen Malevitsj, Schlemmer, Clyfford Still, Agnes Martin, Polke en Jeff Koons aan bod. Kleinere presentaties – nu alweer vergeten – wijdde hij al aan Thomas Ruff, Bill Viola, Georg Baselitz, Rob Birza, Daan van Golden en Craigie Horsfield. ,,Dat de jonge Britse kunst met Damien Hirst nog steeds niet in het Stedelijk te zien is geweest, vond Beeren een gemiste kans'', volgens Dippel.

Beeren, die veel publiceerde en de prestigieuze Peter Stuyvesant-collectie opbouwde, is vaak verguisd: onbenaderbaar, angstig, vol twijfel, saai, in zichzelf gekeerd. Alleen zij die hij niet wantrouwde, maakten kennis met zijn humor en Bourgondische trekken. Dat sociaal onvaardig zijn valt nu in het niet bij het groeiende belang van zijn museale inbreng. ,,Het is een historische wet'', zei Beeren in deze krant, ,,dat je na dertig jaar de actualiteit anders bekijkt.'' Die afstand in tijd is ten opzichte van Beeren niet nodig om zijn beleid, zijn aankopen en zijn soms klassiek-moderne, soms visionaire programmering steeds meer te waarderen.