Wij en zij

,,Mannen denken gemiddeld ongeveer 150 keer per dag aan seks, vrouwen 30 keer.'' Dit citaat van een seksuoloog in de W&O-bijlage van deze krant (22 juli 2000) heeft mij de laatste tijd veel vertier bezorgd.

Hoe vaak denk ik er zelf aan? Soms is het duidelijk – maar als ik mijn kop er zodanig bij moest houden dat ik die keren kon tellen, dacht ik aan niets anders meer. En dan de twijfelgevallen! Zoals: ik zie op de tv een lang interview dat mij interesseert, maar heb toch steeds moeite om erbij te blijven, omdat de geïnterviewde mijnheer mij fysiek zo tegen staat – is dat denken aan seks? Of: bij het zien van een fraaie lelie gaat de bekende erotische symboliek daarvan even door mijn hoofd; telt dat mee?

Mannen denken altijd aan van dattum, volgens een bekend cliché. Daar tegenover staat de oude wijsheid dat een vrouw elke man allereerst taxeert als potentiële partner in de liefde. Allebei waar natuurlijk, zeker als je aanneemt dat zoiets onbewust kan gebeuren. En toch zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen enorm. Wie daar verder iets over wil zeggen, heeft er meer aan als hij gedachten kan lezen, dan wanneer hij erin slaagt ze te tellen.

Iemand die meer dan gemiddeld gebiologeerd was door die verschillen was de Engelse schrijver Kingsley Amis (1922-1995). Kort geleden zijn zijn brieven gepubliceerd in een voorbeeldig verzorgde editie. Dat laatste zou hij zelf hebben gewaardeerd, want als hij niet aan van dattum dacht, kon Amis zich erg druk maken over taal. De laatste brief in het boek is een ingezonden brief over iemands gemakzuchtige taalgebruik in de Spectator.

In de aandacht die in de pers is besteed aan Amis' brieven, wordt hij (vooral door Nederlandse auteurs) meer dan ooit geportretteerd als een reactionaire brompot, een antisemiet – wat onzin is – en een vrouwenhater. Ook dat laatste is onzin. Amis was gek op vrouwen en, zoals gezegd, meer dan gemiddeld geïnteresseerd in seks. Maar geen vrouwenhater.

Wel was hij overtuigd en schaamteloos lid van een generatie die de andere sekse zag als `de anderen', en sekseverschillen als een kwestie van `wij' en `zij'. Je kunt van elkaar houden, zelfs verslaafd zijn aan elkaar, maar eender word je nooit. En heb je last van elkaar, tja, dan zie je elkaar al gauw als vertegenwoordigers van een soort. Zie je wel, zij weer. Zo gaat dat ook bij families, nationaliteiten en andere mensengroepen.

Women = USSR, schrijft hij in 1982 aan zijn vriend, de politicoloog Robert Conquest, als zijn weggelopen vrouw Jane Howard ineens weer zoete broodjes gaat bakken. ,,Het spijt ons van de schade aan uw vaderland en de vele doden; de grenscorrectie tussen onze landen was inderdaad een verkeerde beslissing. De verantwoordelijken zijn gestraft. Nu er geen redenen meer zijn voor frictie tussen onze beide volken, zien wij uit naar een tijdperk van voorspoedige en vruchtbare samenwerking''

Ik vind dat nogal grappig, en wat er achter zit is echte pijn. Amis' (tweede) huwelijk met Jane Howard, een koele schoonheid, was de grootste fout in zijn leven. Het was wel een prachtige verliefdheid, en dat levert mooie pagina's op in het brievenboek, dat verder nogal lijdt aan een gebrek aan sentiment. Het staat wel vol met vrolijke boutades, vieze limericks en oneerbiedige uitspraken over literatuur. De warmte van Amis' vriendschappen springt in het oog – maar sentiment, nee.

In Nederland wordt al geruime tijd het onderscheid tussen rijk en arm, massa en elite, interessanter gevonden dan sekseverschillen. Afgezien van de specialisten wier brood het is, hebben alleen oude zakken en feministen het over `de man' en `de vrouw'. De rest doet zo'n beetje alsof het een gepasseerd station is. Intellectuelen met opvattingen als die van Amis mogen helemaal niet meedoen aan het zogenaamde discours.

Maar zoiets is een kwestie van mode, van cultuur, en zou ook best weer kunnen veranderen. Als het zover is mogen we blij zijn als er dan nog figuren zijn zoals Kingsley Amis, die de pest had aan de gewichtigheid, het conformisme en de ostentatieve braafheid die tegenwoordig van opinieleiders worden verwacht.

    • Ileen Montijn