Russen zonder apparatuur, duikers te laat

Onder Nederlandse bergers heerst lichte verbazing over het feit dat de Koersk pas dit weekeinde voor het eerst door duikers is bezocht.

Anders dan wel is gesuggereerd ligt de Koersk niet uitzonderlijk diep: een diepte van 100 meter wordt door beroepsduikers die voor de Noorse en Britse offshore-industrie werken vaak gepasseerd. Zij duiken wel tot 300 meter diepte. Sportduikers gaan geregeld tot 50 meter en doken vroeger incidenteel aanmerkelijk verder.

Ook is het zeewater in de Barentsz-Zee, hoe dicht die ook bij de Noordpool ligt, niet excessief koud: fysische wetten verhinderen dat het er kouder is dan een enkele graad onder nul. Waarschijnlijk is het er een paar graden bóven nul. Alleen de dagelijkse getijdenstromingen kunnen er nogal sterk zijn, ze zouden er volgens een Noors offshore-rapport kunnen oplopen tot meer dan één meter per seconde, dat is bijna vier kilometer per uur. Bij die stroomsnelheid kan een vrij de duiker zich slechts met grote moeite op zijn plaats houden.

Deskundigen schrijven de pijnlijke vertraging toe aan het feit dat Rusland noch militaire noch civiele schepen paraat heeft die duikploegen bij hun werk op 100 meter diepte kunnen ondersteunen. Dat werk wordt volgens de meest gangbare werkwijze verricht vanuit een duikklok, die tot op de diepte van de werkplek naar beneden wordt gelaten en vanaf het oppervlakteschip wordt voorzien van elektriciteit, `lucht' en warm water. Het oppervlakteschip moet dus wel een min of meer gespecialiseerd schip zijn, zoals de `Seaway Eagle' die de Noorse marineduikers nu terzijde staat. Had in Moermansk een paraat bergingsschip gelegen dan had dat binnen twee dagen ter plaatse in actie kunnen zijn.

Aarzelingen over het te hulp roepen van buitenlandse duikers, tijdrovende bureaucratische procedures en een periode van slecht weer hebben voor verdere vertraging gezorgd. Een woordvoerder van de Noorse marine beklaagde zich nog deze morgen over de Russische bureaucratie.

Directe informatie over de precieze werkwijze van de Noorse marineduikers ontbreekt, maar uit tv-beelden blijkt dat zij inderdaad vanuit een duikklok opereren en daarmee via een `navelstreng' (umbilical cord) zijn verbonden. De gasflessen die zij op hun rug dragen zijn er alleen voor het geval de navelstreng beschadigd raakt, die stellen hen in staat om dan veilig naar de klok terug te zwemmen.

Het gasmengsel dat de Noren inademen bestaat volgens veiligheidsadviseur Anton van Kuijk van het Rotterdamse duikbedijf GB Diving naar alle waarschijnlijkheid uit een mengsel van helium en zuurstof, zogenoemd Heliox. In dat Heliox is de zuurstofconcentratie aangepast aan de werkdiepte en altijd lager dan die van gewone atmosferische lucht. Een hoge zuurstofconcentratie is, hoe vreemd dat ook klinkt, al snel giftig. Het helium in het Heliox, dat het gewone stikstof uit de lucht vervangt, voorkomt een soortgelijke giftige invloed van stikstof. Stikstof dat onder hoge druk wordt ingeademd heeft een benevelende werking, enigszins vergelijkbaar met die van alcohol, die het beoordelingsvermogen aantast. Overigens wordt door professionele duikers ook wel gebruik gemaakt van een mengsel van stikstof, helium en zuurstof (`Trimix'). Experimenteel is wel gewerkt met waterstof-zuurstof mengsels.

Het onderwaterwerk van de Noorse duikers valt onder de categorie verzadigingsduiken (saturatie-duiken). Het verblijf op 100 meter diepte duurt zo lang dat het bloed verzadigd raakt met het draaggas helium. Bij een plotselinge terugkeer naar de oppervlakte, waar de druk 10 bar lager is, zou het helium dan oververzadigd raken en zich als gasbelletjes in de bloedbaan manifesteren. Zo'n situatie is levensbedreigend omdat de bloedvoorziening van vitale organen kan worden afgesloten (decompressie- of caissonziekte). Na een saturatieduik mag de omgevingsdruk alleen heel geleidelijk worden vertraagd om de overmaat draaggas de gelegenheid te geven te ontsnappen zonder belvorming.

De Noorse duikers zullen na hun werk zeker een paar weken in een decompressie-tank aan boord van het verzorgingsschip de Seaway Eagle moeten doorbrengen. In de `ketel' wordt de druk heel geleidelijk verminderd.

De duikers worden vooral bedreigd door een overmatige afkoeling. De isolerende neopreenpakken die sportduikers gebruiken kunnen de duikers maar enige minuten tegen te sterk warmteverlies beschermen. Volgens de woordvoerder van GB Diving mag worden aangenomen dat de Noren daarom warmwaterpakken gebruiken. Vanuit de duikklok (die weer vanaf de oppervlakte wordt verzorgd) wordt een constante stroom warm water tussen de twee lagen neopreen van hun pakken gepompt. Tenslotte is de diepe duisternis op 100 meter diepte een omstandigheid die het werk verzwaart. Maar voor getrainde duikers geldt wel dat het op grote diepte altijd donker is: hun maakt het weinig uit of er 's nachts of overdag gewerkt wordt.