Korfbal

Rond korfbal hangt een zweem van braafheid en burgerlijk getut, maar in de pioniersjaren rond de vorige eeuwwisseling wekte de sport veel beroering. Enerzijds vond niet iedereen het gepast dat de twee geslachten zij aan zij speelden op hetzelfde veld. Ook de kledij van de korfballers baarde opzien, nadat het oorspronkelijke harnas van hoeden en enkelrokken was vervangen door een meer luchtig en aangenaam uniform. Voor de niet-korfballer toen was het bezoeken van een wedstrijd wellicht hetzelfde als het betreden van een naaktstrand: blote hoofden en ook nog eens een vrij zicht op knie en enkel.

Met korfbal hebben we eindelijk eens een sport gevonden die een eeuw geleden ontstond en waar sportpionier Pim Mulier niets mee te maken had. In dit geval was het de Amsterdamse leraar Nico Broekhuysen die in 1902 een bijeenkomst in Zweden bijwoonde waar nieuwe balsporten werden vertoond. Hij was reeds op de hoogte van het bestaan van basketbal en was in Zweden getuige van het zogenaamde `ringboll'. Deze twee sporten combineerde Broekhuysen, voegde nog wat eigen bestanddelen toe en zag toen dat het goed was. Het korfbal was geboren.

`Onbekend maakt onbemind', schreef D. Woudstra over de geboorte van het korfbal. Dientengevolge was niet iedereen enthousiast over de nieuwe sport, wat ook werd opgeschreven in de bladen. `Korfbal is een monster, dat zijn klauwen naar alle zijden uitstrekt', luidden de weinig vleiende woorden van menig sportjournalist. Broekhuysen zal zich geen zorgen hebben gemaakt over dit gemekker, want hij werkte rustig verder aan de ontwikkeling van `zijn' sport.

Een grote beloning voor zijn noeste arbeid was het koninklijke ere-predicaat dat de Nederlandse Korfbalbond in 1938 kreeg overhandigd. Het monster had zijn klauwen toen dus zelfs uitgestrekt naar de monarchie, maar of de kritische sportjournalisten dat in die tijd ook op die manier durfden te formuleren, is erg onwaarschijnlijk.

Een ander hoogtepunt was het spelen van een demonstratiewedstrijd op de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen. Het was ook hetzelfde jaar dat deze sport de Nederlandse grens overstak en zich in België nestelde. Toch opmerkelijk dat een volslagen nieuwe activiteit zich zo snel ontwikkelde en zelfs over de grenzen wist te groeien. Dat heeft ook alles te maken met het harde werk van Broekhuysen, die zijn gehele leven in dienst stelde van het korfbal. Dertig jaar lang was hij onafgebroken voorzitter van de bond, om pas zijn stek te verlaten toen hij zeker wist dat de fundamenten diep waren verankerd.

Daarmee onderscheidde hij zich van Mulier, die juist de neiging had elke bond en nieuwe sport te bestormen en te controleren om daarna hard weg te rennen. Elk moment van de dag ontdekte hij weer iets anders waar hij zich kon laten gelden – ijdelheid was zijn sterkste eigenschap – wat hij dan uitbundig deed. Broekhuysen echter was uit een geheel ander hout gesneden en liet zich niet afleiden van zijn taak: het ganse land het korfbalveld op. Als docent besefte hij natuurlijk dat de introductie van korfbal op scholen een grote stap zou zijn in een eventuele doorbraak. In oktober 1902 werden de eerste wedstrijden gespeeld tussen teams van verschillende Amsterdamse scholen, onder leiding van de Amsterdamse Bond voor Lichamelijke Opvoeding. De namen van de verenigingen zeggen genoeg: O.S.C.A. (Onderwijzers Sport Club Amsterdam), D.T.V. (De Tweede Vijfjarige HBS) en D.E.V. (De Eerste Vijfjarige HBS).

En Nico Broekhuysen had gelijk: door de sport op scholen te introduceren, en gaandeweg ook de regels enigszins aan te passen aan de praktijk, forceerde hij een doorbraak. In 1991 stond korfbal daardoor op de negende plaats van de grootste sporten in Nederland, en liet daarbij onder andere atletiek en watersport achter zich. Maar wel alleen in Nederland, want zelfs in België haalde krofbal niet de Top Tien.

    • Jurryt van de Vooren