Een ongelovige Hindoe

Hij was de meest ongelovige hindoe die ik heb gekend. Arvind N. Das, doctor in de sociale wetenschap, schrijver, journalist, columnist, documentaire-maker, ironische wereldburger, Indiër, of preciezer: Bihari. Als je geboren bent in Bihar, een van armste en dichtst bevolkte deelstaten van India, ben je per definitie een boef. Een kruimeldief op z'n minst, zegt men. En Arvind Das kon er zulke vermakelijke en bizarre verhalen over vertellen, dat de nacht ongemerkt voorbij ging.

,,Dat vliegtuig dat op die woonwijk van Patna in Bihar neerstortte'', zei hij laatst, ,,zal ik vertellen hoe dat is gegaan? De normale en veilige landingsroute was voor de piloten verboden, omdat ze dan over een huis moesten vliegen van een van de machtigste inwoners van de stad. Deze man verzamelt glazen van kristal en hij was bang dat zijn kristalcollectie door het lawaai van de vliegtuigen schade zou oplopen. Daarom moesten de piloten een onveilige route kiezen, die vroeg of laat zou eindigen in een crash.''

Arvind Das had zoveel van deze anekdotes, dat hij een dinerend gezelschap een week lang kon bezighouden.

Op een avond, in de tijd van de raketcrisis tussen India en Pakistan, werd hem de vraag gesteld of hij bang was voor een nucleaire oorlog. ,,Wel nee'', zei Das droogjes, ,,het zijn zulke bureaucratische landen dat het een eeuw duurt voor ze alle handtekeningen voor de lanceringstoestemming verzameld hebben. Ik ben eerder bang voor een conventionele oorlog. Beide legers beschikken over meer geweren dan kogels, ze hebben eigenlijk net genoeg munitie voor drie weken oorlog. Stel je voor dat ze die kostbare kogels gaan gebruiken! Elke kogel zou iemand moeten doden, om rendabel te zijn.'' Hij zei het zonder een spier te vertrekken en nam een hap van zijn salade.

Net zo merkwaardig als zijn analyses waren zijn observaties. In een van zijn bekendste boeken, The Republic of Bihar, beschreef hij een busreis op het platteland. Elk buskaartje kost evenveel, maar de Brahmanen krijgen een plaats voorin, achter hen de overige notabelen en de kastelozen moeten op het dak. ,,Maar goddank hebben we die bussen, want ze zijn de klok voor de landarbeiders. Als de bus langskomt, is het schafttijd. Je moet niet denken aan een busstaking, die arme landarbeiders zouden sterven van de honger.''

Hij lachte zelden om zijn eigen grappen. Hij wist volgens mij niet eens hoe komisch zijn blik op de wereld was. Hij heeft nooit geweten waarom zoveel kranten in India, Hindi- en Engelstalige, waaronder The Times of India, zo graag zijn columns wilden. Hij schreef er bijna tien per maand, en nooit over hetzelfde onderwerp. Niet zomaar kleine stukjes, maar essays van vijftienhonderd woorden. ,,India is zo rijk aan onderwerpen'', zei hij ter verklaring. Maar dat is niet zo. Hij was rijk aan invalshoeken.

Alleen over de kwestie van godsdienst had hij niet veel invalshoeken. Eigenlijk had hij er maar een: India zou seculier zijn, of niet zijn.

Een paar jaar geleden besloten hij en enkele andere prominente redacteuren op te stappen bij The Times of India. Het besluit was ingegeven door rebellie en avonturisme, de groep vond de toon van deze grootste seculiere krant van het land te ambtelijk. Er zou een nieuwe vorm van journalistiek moeten worden bedreven, op een meer persoonlijke en literaire toon, en er moest ook gebruik worden gemaakt van moderne media als televisie en internet.

Deze moderne en literaire auteurs begonnen dus een eigen bedrijf en het bedrijf moest worden geopend. Maar hoe doe je dat, als je progressief, anarchistisch en ongelovig bent? Je kunt niet de plaatselijke hoogwaardigheidsbekleder laten komen om een lintje te knippen, geen sprake van! Je kunt niet een priester laten komen om een inzegeningsceremonie te laten uitvoeren, geen sprake van! Maar ineens was Arvind Das de enige die dat laatste riep. De rest van de journalisten had geen bezwaar tegen een pandit. Het was een van de zeldzame keren dat hij echt boos werd. Zo boos dat hij tierde en schold en dreigde niet naar de opening te komen van het bedrijf waarvan hij nota bene directeur zou zijn.

Hij kwam inderdaad niet. De volgende dag verscheen hij in het gloednieuwe kantoor en zag tot zijn ontsteltenis dat alle computers van bloemenkransen en sandeltekens waren voorzien. Hij barstte in lachen uit, zoveel gevoel voor humor had hij wel.

Toch was geloof voor hem een ernstige kwestie. Dat God niet bestond, het speet hem, maar het stond voor hem vast. Het was niet uit onkunde, hij kende de hymnen, de gebeden, de vedische teksten en de epische verhalen van de Ramayana als geen ander. Hij beleefde er zelfs plezier aan pandits te corrigeren, als ze de mist in gingen met de hymnen die ze tijdens de diensten moesten prevelen. Tot grote verbijstering van de omstanders onderbrak hij de goedheilig man en zei hem de ontbrekende lettergrepen voor. Om daarna zo onschuldig mogelijk voor zich uit te staren.

Daarom juist, zei hij een keer, kon hij ongelovig zijn. Het hindoeïsme bestond voor hem uit klanken en mythen. Van onschatbare ouderdom, uiteraard, maar daarom hoefde je er toch niet in te geloven? Hij benaderde het hindoeïsme als een archeoloog (het vak dat hij eigenlijk had willen studeren, niets is zo prettig als te dwalen over verlaten vlakten en hier en daar een gaatje te boren), je moest er laag na laag van afpellen om te weten hoe de mensen zichzelf in al die zesduizend jaren betekenis hadden gegeven.

Maar geloof op zichzelf vond hij gevaarlijk. Hij had het te vaak meegemaakt. Hij werd geboren tijdens de scheiding van India en Pakistan, hij werd grootgebracht met de verhalen over de slachtpartijen. Hij was een jongeman tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van Bangladesh, de oorlog in Kashmir kleurde zijn intellectuele leven en de pogroms in Bombay tegen de moslims in het begin van de jaren negentig hadden diepe indruk op hem gemaakt. Een mens zal seculier zijn, of niet zijn, leek hij zijn leven lang te willen zeggen.

Maar toen hij een maand geleden, terwijl hij op bezoek was in Nederland, na een korte hartstilstand in coma raakte, begon ik te bidden. Het was een onwillekeurige daad, maar ik besefte dat ik die beging. Ik bad hevig tot de God van de hindoes, de moslims, de joden en de christenen, ik interpreteerde elk toevallig voorval als een teken ten gunste van het welzijn van mijn vriend, die ik al tien jaar kende.

Hij stierf toch, bijna alsof hij wilde bewijzen dat hij gelijk had. Hij bestaat niet, sorry.

    • Anil Ramdas