De koele aanpak van de meteorologen in De Bilt

Alles heeft zijn prijskaartje en dat geldt tegenwoordig ook voor het weer. Portret van het KNMI, of waarom noodweer duurder is dan vroeger. `Wat wilt u nu eigenlijk? Dat we het weer veranderen of zo?'

Op een van de tientallen monitoren in de `weerkamer' van het KNMI in De Bilt is te zien hoe zich vanuit België zware onweersbuien in hoog tempo richting Nederland bewegen. Snel pakt de dienstdoende meteoroloog, Han Mellink, de telefoon en licht een van de grote afnemers van de KNMI-gegevens in dat er zwaar weer op til is. ,,Er is maar 600 meter zicht, dat wil zeggen dat het daar echt flink naar beneden komt'', waarschuwt Mellink. ,,Nee, die 33 zit bij Luik'', corrigeert hij zijn gesprekspartner, wat in weertaal betekent dat er een striemende wind staat met een snelheid van 33 knopen (zo'n 60 km/uur).

Al ruim 146 jaar houdt het KNMI het weer bij en doet het voorspellingen. Niet altijd tot ieders tevredenheid. Vooral wanneer het in juli of augustus weken achtereen pijpenstelen regent en kil blijft, ontvangt het KNMI woedende telefoontjes en tegenwoordig ook e-mails van mensen die het KNMI verantwoordelijk stellen voor zoveel meteorologische ellende. Voorlichter H. Geurts: ,,Dan antwoord ik ten slotte soms maar: wat wilt u nu eigenlijk? Dat we het weer veranderen of zo?''

Hoewel de KNMI'ers er ook op familiefeestjes dikwijls van langs krijgen omdat de verwachtingen van het weerinstituut niet zouden deugen, blijven de circa 515 stafleden en medewerkers hun werk met veel enthousiasme verrichten. Sterker nog: Vooral wegens het stimulerende arbeidsklimaat kloppen zelfs met enige regelmaat meteorologen van commerciële weerbureaus bij het KNMI aan om een baan.

,,Je komt op het KNMI meer bevlogenheid tegen dan op een gemiddeld instituut'', bevestigt prof. R.J. Murris, een aardwetenschapper die aan het hoofd stond van een onafhankelijke internationale commissie die het klimaatonderzoek van het KNMI vorig jaar doorlichtte.

,,Bij particuliere werkgevers kunnen de mensen misschien meer verdienen'', zegt ir. J. Boot, plaatsvervangend hoofddirecteur van het KNMI. ,,Maar de mensen werken hier niet wegens lease auto's of mobiele telefoons maar omdat het werk hen diepgaand interesseert. Als ze je eenmaal te pakken hebben over een meteorologisch onderwerp, laten ze je niet meer los.''

Het bescheiden weerinstituut, dat door C.H.D. Buys Ballot op het bolwerk Sonnenborgh in Utrecht in 1854 werd opgericht, is bijna anderhalve eeuw later uitgegroeid tot een veelzijdig centrum van meteorologische kennis in de fraaie parkachtige omgeving in De Bilt. In mei van dit jaar nog opende koningin Beatrix een geheel verbouwd KNMI-complex, waarin onder andere de nieuwe weerkamer is ondergebracht.

De kerntaak van het KNMI is nog steeds om elke dag de grillige loop van het weer nauwkeurig te volgen en zo mogelijk te voorspellen. Dankzij toegenomen kennis en geavanceerde computers lukt dat steeds beter. ,,Zo'n 90 tot 95 procent van al onze verwachtingen voor de volgende 24 uur komt tegenwoordig uit'', zegt Boot. ,,Het publiek gelooft dat vaak niet maar let wel: het gaat om nationale verwachtingen, dus lokaal wil het weer daarvan nog wel eens afwijken.''

In de praktijk geeft het KNMI de weergegevens tegenwoordig door aan commerciële weerbureaus, die er op hun beurt voor zorgen dat deze hun weg vinden naar de media, grote bedrijven en andere afnemers. Zo nodig geeft het KNMI bij extreme weersomstandigheden sinds dit jaar ook een speciaal weeralarm af, zoals bij de zware storm die op zondag 28 mei over het land trok.

Het KNMI ontvangt op zijn beurt veel van zijn meteorologische gegevens via een reusachtige computer in het Britse Reading, die door 18 Europese staten gezamenlijk wordt beheerd. Daarnaast beschikt het in Nederland over 35 meetstations, waar het eigen meteorologische waarnemingen doet. Ook maakt het gebruik van de diensten van 300 regenwaarnemers.

De meest dynamische tak van het KNMI is die van de weersverwachtingen, waar zo'n 200 mensen werken. Zij bemannen de weerkamers in De Bilt en op de verschillende luchthavens en Hoek van Holland, waar het KNMI eveneens vestigingen heeft voor de luchtvaart en de scheepvaart. De grotere vestigingen zijn 24 uur per dag bezet, in ploegendiensten van acht uur elk.

Wat bedaagder gaat het toe op de eveneens omvangrijke afdeling klimaatonderzoek (120 mensen), waar onder andere onderzocht wordt of er sprake is van een verandering in het klimaat en zo ja, of het gedrag van de mens daarop van invloed is. ,,Daar hangt dikwijls een bijna universitair sfeertje'', zegt Boot.

Ondanks (of wellicht ook dankzij) de bevlogenheid van de KNMI'ers is het niet altijd pais en vree op het weerinstituut. Zo woedt er onder de oppervlakte al enige maanden een bitter conflict tussen de leiding van het KNMI in De Bilt en de omvangrijke afdeling luchtvaartmeteorologie op Schiphol. De directie wil de meteorologen, net als elders in de wereld, op één centraal punt concentreren: in De Bilt. Dat zou de efficiëntie vergroten. Dankzij de moderne communicatietechnologie is de lijfelijke aanwezigheid van alle meteorologen op de luchthaven niet langer vereist, meent de leiding in De Bilt.

Op Schiphol zelf ergeren de 26 meteorologen zich echter hevig aan deze plannen. In april van dit jaar meldden ze zich uit protest enige tijd collectief ziek, waardoor het verkeer op Schiphol acuut werd bedreigd. Vliegtuigen kunnen namelijk niet starten of landen zonder nauwkeurige meteorologische gegevens. Met veel kunst en vliegwerk wist het KNMI, daarbij gesteund door de weerkundigen van het ministerie van Defensie, een verstoring van het vliegverkeer op Schiphol te voorkomen.

Schoorvoetend werd na enkele weken de dialoog tussen beide zijden hervat. Een extern adviesbureau gaat nu proberen de impasse te doorbreken. Op verzoek van De Bilt doen de betrokkenen op Schiphol geen mededelingen over het conflict. De spanningen tussen Schiphol en De Bilt gaan overigens al veel verder terug in de tijd. Boot: ,,Het heeft, denk ik, ook te maken met de Amsterdamse mentaliteit. Amsterdammers zijn solistisch ingesteld. Ze regelen de dingen liever zelf.'' Anderen wijzen erop dat de `Schiphollers' erg aan hun huidige locatie zijn gehecht.

De KNMI'ers mogen zich intussen nog altijd verheugen in een almaar toenemende belangstelling voor het weer bij het publiek. Die uit zich bijvoorbeeld in steeds langere weerpraatjes op de televisie en uitvoeriger weerberichten in de krant. Die interesse lijkt deels voort te vloeien uit de toegenomen kwetsbaarheid van de samenleving voor slecht weer.

Een zware hagelbui kan boeren en tuinders handenvol geld kosten, terwijl bij een forse regenbui het verkeer al snel vastloopt in lange files. Boot: ,,Het is bijvoorbeeld ook van groot belang voor watersporters om te weten of er onweer op komst is. Vroeger zat er, afgezien misschien van wat vissers, niemand op het water. Tegenwoordig zit op een mooie dag bij wijze van spreken half Nederland op het water.''

,,Je ziet het ook bij Schiphol'', constateert H. Fijnaut, tot december vijftien jaar lang hoofddirecteur van het KNMI. ,,Dat opereert op het scherp van de snede. Als een baan daar een half uur eerder dichtmoet, scheelt dat veel geld. Maar er is bijvoorbeeld ook een samenhang vastgesteld tussen het koopgedrag van mensen en het weer. Regen kan winkeliers al snel een paar procent in de omzet schelen, wat veel is als je met smalle marges werkt.''

Niet voor niets drongen VVV-kantoren en de toeristenindustrie langs de kust en op de Waddeneilanden de afgelopen weken aan op de verspreiding van een aparte regionale weersverwachting. Ze vonden dat ten onrechte onderbelicht bleef dat het daar in de lente en 's zomers zonniger is dan in het binnenland. Het KNMI bevestigde dat er in die periode inderdaad meer zon is langs de kust en op de Waddeneilanden, maar het is niet van plan zelf met aparte regionale weersverwachtingen te gaan werken. Het kan daarvoor wel de gegevens leveren maar commerciële weerbureaus moeten er maar voor zorgen dat die ook daadwerkelijk potentiële toeristen en anderen bereiken.

Het weer mag veranderlijk zijn, ook het KNMI zelf is de afgelopen anderhalve eeuw niet bepaald immuun geweest voor veranderingen. De ingrijpendste daarvan was de scheiding van de publieke en commerciële activiteiten, die in het voorjaar van 1999 zijn beslag kreeg.

Overeenkomstig de tijdsgeest en gedwongen door bezuinigingen probeerde het KNMI in de loop van de jaren tachtig zijn product, meteorologische kennis en informatie, bij steeds meer klanten af te zetten. Dat leidde echter nogal eens tot ongemakkelijke situaties voor het eerbiedwaardige institituut.

,,Op zekere dag stelden we vast dat een firma in zonnebrandcréme bij ons op het KNMI een heel congres had belegd omdat we samen eerder onderzoek hadden gedaan naar de invloed van ultraviolette straling'', zo herinnert Fijnaut zich. ,,De goede naam van het KNMI dreigde zo geassocieerd te worden met allerlei commerciële activiteiten. Dat kon zo niet doorgaan.''

Met instemming van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, waaronder het KNMI valt, werd daarom na rijp beraad besloten dat de commerciële activiteiten zouden worden ondergebracht in een afzonderlijk bedrijf, Holland Weather Services (HWS) geheten. Dat ging in het voorjaar van 1999 van start in Soest. Net als het eerder opgerichte Meteoconsult verkoopt HWS allerlei informatie aan de media (in het geval van HWS onder meer aan de NOS) maar ook aan bedrijfstakken als boeren, wegenbouwers en gladheidsbestrijders. De bedoeling is om HWS, dat thans nog eigendom is van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, nog dit jaar te privatiseren. Het KNMI blijft een agentschap onder hoede van Verkeer en Waterstaat.

Zowel Boot als Fijnaut is tevreden over de betrekkelijk geruisloze wijze waarop de boedelscheiding geschiedde. Ook H. Otten, een meteoroloog die al halverwege de jaren tachtig het KNMI de rug toekeerde om het particuliere weerbureau Meteoconsult op te richten, velt een positief oordeel over de operatie. ,,Het KNMI is sterk ten goede veranderd. Het is een stuk dynamischer geworden'', stelt hij. ,,Door de ontvlechting van publieke en commerciële activiteiten loopt het in dat opzicht nu absoluut voorop in Europa.''

Martine Gesquiere, woordvoerster van het Belgische Koninklijk Meteorologisch Instituut in Ukkel, is eveneens onder de indruk: ,,We zijn wel een beetje jaloers op die ontvlechting. Onze ministers doen zoiets niet.''

Terwijl het KNMI nog aan het bekomen was van deze operatie, doemde er een nieuw probleem op. De accountantsdienst van Verkeer en Waterstaat weigerde dit voorjaar voor het tweede jaar in successie om een goedkeurende accountantsverklaring te verlenen aan het KNMI. Het weerinstituut kon iets meer dan 1 procent van zijn uitgaven niet geheel verantwoorden. Het KNMI stond daarin overigens niet alleen: van de 21 agentschappen van de overheid konden het afgelopen jaar er 14 niet aan de strenge eisen van de Rekenkamer voldoen.

Deze tekortkoming van het KNMI leidde tot bezorgde reacties van onder meer minister Zalm (Financiën) en de Tweede Kamer. Het KNMI belooft beterschap, maar Boot wil er wel op wijzen dat de kritiek van de Rekenkamer soms erg hard was. Zo had het KNMI verzuimd om collegegeld van circa 1500 gulden, dat was betaald voor een cursus die een staflid wilde volgen aan de Rijksuniversiteit Utrecht, terug te vorderen. Op grond van een samenwerkingsovereenkomst met de universiteit had het KNMI dit kunnen doen. Het kwam het weerkundig instituut op een scherpe reprimande van de accountants van Verkeer en Waterstaat te staan.

Meer dan vroeger, voor de afscheiding van de `commerciëlen' een feit werd, staat het KNMI tegenwoordig weer in het teken van het onderzoek. Fijnaut heeft het wetenschappelijk onderzoek ook altijd met opzet zoveel mogelijk ontzien bij bezuinigingen. ,,Ik zie met grote voldoening dat de wetenschap weer als het meest wezenlijke middel wordt gezien voor de vooruitgang in het vakgebied van de meteorologie'', aldus Fijnaut. ,,Het onderzoek van het KNMI kan zich tegenwoordig meten met de besten in het buitenland.'' Boot is niet minder geestdriftig over de wetenschappelijke prestaties in De Bilt: ,,Internationaal blaast het KNMI heel goed zijn deuntje mee.''

Ook prof. Murris, die het klimaatonderzoek van het KNMI vorig jaar onder de loep nam, is vol lof over de kwaliteit van het wetenschappelijke werk van het weerinstituut. Niettemin bespeurt hij enkele zwakke plekken. De KNMI-onderzoekers blijven, zeker in vergelijking tot de Verenigde Staten, te veel in hun eigen kringetje steken. Ze zouden vaker contact moeten zoeken met andere afdelingen en andere instituten om zo een vruchtbare kruisbestuiving tot stand te brengen. Ook tempert hij de geestdrift van de KNMI'ers over hun eigen verrichtingen een beetje: ,,Er is per slot van rekening nog geen enkele KNMI'er die een Nobelprijs heeft gewonnen.''

    • Floris van Straaten