WATERTEUNISBLOEM KAN PLAAG WORDEN IN NEDERLANDSE SLOTEN

In het innundatiekanaal bij Tiel breidt de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora) zich momenteel zo snel uit, dat aquatisch ecologen vrezen voor een nieuwe waterwoekeraar in Nederland. Vorig jaar bedekte deze mooie gele vijverplant al een deel van de vaart over een lengte van dertig meter. Hoewel toen drie vrachtwagenladingen plant werden weggehaald in een poging hem uit te bannen, groeit de waterteunisbloem dit jaar over een lengte van enkele honderden meters en heeft hij zich ook al genesteld in nabijgelegen wateren.

Volgens prof.dr. Martin Scheffer van de Wageningen Universiteit, wiens groep met het Nationaal Herbarium in Leiden de invasie bestudeert, zagen omwonenden de bloem al tien jaar geleden in het kanaal. Waarschijnlijk komt hij van een tuinvijver – de van oorsprong Zuid-Amerikaanse soort is al jaren in de handel als vijverplant. Mogelijk heeft hij een tijd nodig gehad om zich aan te passen, want pas vorig jaar viel op hoe snel hij zich verspreidt. En maaien helpt maar kort, doordat elk stukje stengel weer kan uitgroeien.

De onderzoekers vrezen dat het met de waterteunisbloem hetzelfde gaat als met de grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), een andere exoot die als vijverplant in de handel is. In 1994 werd de grote waternavel voor het eerst gesignaleerd in een sloot in de Utrechtse wijk Rijnsweek. Een jaar later kwamen bij het Nationaal Herbarium ook meldingen binnen uit Gouda, De Bilt, Heemstede, Amstelveen en Zeist. Inmiddels vormt de grote waternavel in heel Nederland een probleem, en kost het maaien ervan veel geld. Daarnaast is het afgelopen jaren ook met het dwergkroos (Lemna minuta) uit de hand gelopen, eveneens een vijverplant. Zulke drijvende woekeraars hebben een sterke invloed op het functioneren van het ecosysteem. Onder de gesloten matten van drijvende vegetatie dringt geen licht door, en het water wordt snel zuurstofloos. Ondergedoken waterplanten en tientallen soorten slakjes, pissebedden, kevertjes en waterwantsen gaan verloren, blijkt uit Wagenings onderzoek. Alleen wat algen, een enkele platworm en een paar bloedzuigers redden het nog.

Met de hogere eisen die mensen aan hun tuin stellen en de toenemende belangstelling voor tuinvijvers, komen er steeds meer exoten in de handel. Scheffer acht het zinvol ecologen een vijverplant te laten bestuderen op mogelijke plaagvorming voordat de plant in de handel komt. Maar uitvoering van dat idee is vooralsnog lastig. Ervaring leert dat van de honderd ingevoerde exoten er tien in een `vreemd' milieu aanslaan, en dat van die tien er één een plaag vormt. Welke dat is, is echter moeilijk te voorspellen. Een aanwijzing kan zijn dat de plant al elders in de wereld woekert en dat hij overleeft in een klimaat als in Nederland. Wat dat betreft is het zorgelijk dat de waterteunisbloem de laatste elfstedenwinter heeft overleefd en dat hij zich in het noorden van de VS agressief uitbreidt in meren, sloten en rivieren.

    • Marianne Heselmans