Sinds het communisme is de dood knap ongezellig

Onder de communisten kwam de klad in de kleurrijke Hongaarse begrafeniscultuur. De weg terug is lang. Over dronken doodgravers en grijze grafstenen.

Het `Wolvenveld' ligt vlak naast mijn huis. Op het hele uur wordt er altijd een klok geluid. Als de klok buiten het uur om klinkt, is dat omdat er een begrafenis plaatsvindt. Een enkele keer kun je de klanken van een paar koperblazers door de bomen en struiken horen. Dan wordt er een sjieke dode begraven.

In het Hongaars heet het Wolvenveld `Farkasréti'. Het is de naam van de grote begraafplaats in Boeda, de heuvelachtige kant van Boedapest. Meer dan honderd jaar geleden opende Farkasréti zijn poorten. Er werd speciaal een tramlijn naartoe aangelegd zodat de Hongaren hun doden binnen bereik zouden hebben.

Het cliché wil dat Hongaren iets met de dood hebben. Altijd weer komt het verhaal van de laagdrempelige zelfmoord. Dagelijks schrijven de kranten over de om zich heen grijpende kanker. Het Hongaarse volk sterft langzaam uit. Elk jaar is het geboortecijfer lager dan het sterftecijfer.

Rond Farkasréti heerst dan ook altijd een gezellige bedrijvigheid. Op zeker drie plaatsen voor de enorme muur worden iedere dag verse bloemen verkocht. Bloemisten bieden naast kleurige boeketten ook sierlijke graftakken aan. Gepensioneerden staan bij het hek met half verlepte bosjes voor een paar dubbeltjes. Ze zijn er allemaal iedere dag.

Recht tegenover de monumentale ingang van de vele hectares grote begraafplaats zijn een paar kroegen waar een ieder zich moed of troost of warmte kan indrinken. Verder zijn er een paar steenhouwers die grafstenen aanbieden. Volgens ingewijden worden er in het donker nogal eens grafstenen van de graven gehaald die dan overdag weer `voor nieuw' verkocht worden.

De gezellige drukte wekt de indruk dat Hongaren de dood onder de knie hebben. Op de dag dat we een oudere vriendin gingen begraven, bleek dat echter niet helemaal waar. Het begon er al mee dat er tussen de plotselinge dood van de vriendin en haar begrafenis wel drie weken tijd zat. Dat was normaal, werd ons verzekerd. Een deel van het raadsel werd opgeklaard toen bleek dat we niet de vriendin gingen begraven, maar haar as. De bureaucratie had de crematie drie weken opgehouden. Haar as was pas nu beschikbaar gekomen. Echt plechtig was de gelegenheid ook niet te noemen. De priester rafelde wat bijbelteksten af om zich vervolgens naar een volgend optreden te haasten.

Een paar dronken doodgravers probeerden de urn recht te houden op weg naar het graf. Eenmaal aangekomen werd de klus in een ommezien geklaard. Met grove scheppen gooiden ze het graf dicht. Zorgvuldige uitgekozen boeketten en graftakken werden boven op elkaar gekwakt. Het leek wel of ze een wedstrijd deden wie het eerst in het aangrenzende café zijn bestelling zou kunnen plaatsen. De aanwezigen leken niet anders gewend.

Als het aan de firma Pietas ligt, behoort de dronken doodgraver weldra tot het verleden. Net als het gammele bestelbusje die nu eens doden en dan weer broden vervoeren, zoals ze hier zeggen. Het zijn de overblijfselen uit het communistische verleden, waarin de staat alle begrafenissen verzorgde.

De jonge ondernemer Pietas biedt graag andere, nieuwe diensten aan. Zoals een echte, zij het tweedehands lijkwagen, glanzende kisten, welopgevoede doodgravers en wat de klant maar wil. Onlangs is na afloop van een begrafenis zelfs naar Nederlands voorbeeld koffie met cake geserveerd.

Meer dan duizend gulden hoeft de duurste begrafenis niet te kosten. Of het moest die van de zigeunerleider zijn die een glazen kist koos en zich in een speciaal ontworpen graftombe liet bijzetten: een kamertje met een bed, een goedgevulde bar, een televisietoestel én een deur zodat zijn vrouw zich te gelegener tijd nog bij hem zou kunnen voegen.

Voor onze oudere vriendin is de firma Pietas te laat gekomen. Haar begrafenis droeg nog het stempel van de fantasieloze rituelen zoals die tijdens het communisme onder verantwoordelijkheid van de staat werden uitgevoerd. Een roemloze bijdrage aan de overigens kleurrijke geschiedenis van Farkasréti.

Op een paar passen van elkaar liggen illustere doden als de componist Béla Bartók en de dirigent Georg Solti, Hongaarse beroemdheden die in het verre Amerika stierven en later op Farkasréti werden bijgezet. Of de stalinistische leider Rákosi, die ergens onvindbaar in een columbarium is opgeborgen. Duizenden namen die het verhaal vertellen van de Hongaarse geschiedenis. Van de bloeitijd van de vorige eeuwwisseling tot nu. Graftombes van puissant rijke industriëlen, grote adellijke familiegraven, strakke stenen met rode sterren van communistische generaals. Houten totemachtige palen op de graven van hen die uit Transsylvanië vluchtten nadat hun gebieden werden losgesneden van het Hongaarse moederland. En veel beelden, heel veel beelden.

Van mensen en dingen, zoals de tas op het graf van de Hongaarse Ko van Dijk die kort na de zoveelste voorstelling van `Dood van een handelsreiziger' zelf het leven liet. Ambtenaren, schilders, beeldhouwers, toneelspelers, artsen en politici tonen de Hongaarse geschiedenis in vogelvlucht. Hongaarse namen, Turkse namen, Duitse namen, joodse namen. Jonge zelfmoordenaars en stokoude filosofen. De spits die ooit een winnende doelpunt maakte tegen het Braziliaanse team van Pelé staat juichend op zijn eigen graf te dansen. Een andere voetballer wordt geëerd met een bal in het doelnet. Winnaars van Olympisch goud liggen keurig in een hoekje bij elkaar.

Onze vriendin ligt in het graf van haar ouders. De steen is grijs en fantasieloos. Ze vertelt haar eigen verhaal van de Hongaarse geschiedenis. Elke keer als ik de klokken hoor, denk ik aan haar.

    • Renée Postma