Schapen, geen kanonnen

Tien boeren vernielden een jaar geleden een filiaal van McDonald's in het Zuid-Franse Millau. Hun leider José Bové groeide uit tot boegbeeld van de strijd om de eigen regio. Aan de vooravond van de gerechtelijke uitspraak een bericht uit vrijstaat Larzac. `In iedere kers een gratis pit.'

Aan de deur van de herberg van het Zuid-Franse Montredon, tevens zetel van de Departementale Federatie van Centra en Initiatieven voor het Behoud van de Landbouw en het Landschappelijk Milieu, hangt een affiche met de foto van de plaatselijke held. Gebalde vuisten in de lucht, de handboeien om de polsen. Tussen de boog van zijn gespierde armen zijn lachende kop. Onder zijn neus de snor die hem voor spotbelusten de Asterix van het zich tegen de vrije wereldhandel kerende Gallië maakt. Erboven zijn sprekende ogen, op de foto donker, in werkelijkheid helblauw.

Dit is de plaat die schapenhoeder en activist José Bové wereldberoemd maakte. Wie juicht met handboeien om hoeft niet meer uit te leggen dat hij in zijn recht staat. De Franse schapenboer demonteerde samen met negen andere leden van de boerenvakbond Confédération Paysanne in augustus vorig jaar een filiaal-in-aanbouw van het symbool van de malbouffe, het slechte vreten – McDonald's, aan de zuidkant van de grootste stad van de Zuid-Franse streek Larzac, Millau. De rechter maakte martelaren van de daders door arrestatiebevelen uit te vaardigen en hen op te sluiten. De foto en Bovés aanvankelijke weigering een borgtocht te betalen, deden de rest. Wereldberoemd werd hij. Post geadresseerd aan `Bové, Frankrijk' komt sindsdien probleemloos te bestemder plekke. Eind juni veranderden meer dan dertigduizend aanhangers Millau in Seattle-sur-Tarn toen Bové en zijn kameraden voor de rechtbank moesten verschijnen. Begin september doet de rechter uitspraak.

De foto verdwijnt uit het zicht als de deur van de herberg piepend opengaat. Een kleine vrouw komt tevoorschijn. Ze is de directeur van de federatie. Met matte stem zegt ze dat Bové naar het naburige gehucht Potensac is verhuisd. Ze heet Alice Monier. Ze is de vrouw van Bové. Hij heeft haar verlaten, vertelt ze, voor haar beste vriendin. ,,Hij denkt, dat iedereen van hem houdt, en heeft mij dus niet meer nodig. De roem is hem naar het hoofd gestegen, vrees ik.'' Verlegen kijkt ze naar de stapel pamfletten onder haar arm en bekent een wildvreemde dat ze erg verdrietig is. Zegt dan: ,,Waarom zoekt u hem morgenochtend niet op? Om vijf uur haalt hij de schapen van het veld, boven Saint Sauveur.''

Drie gehuchten verder staat een vrouw in haar moestuintje, naast haar gerestaureerde huisje. Ze dekt de slappe sla toe tegen de zon. Een halfnatte sigaret plakt roerloos in haar rechtermondhoek. De vreemdeling die meent met een eenvoudige plattelandsvrouw van doen te hebben, vergist zich: vragen van een onbekende beantwoordt ze niet, laat hij zich eerst maar netjes voorstellen. Ze heeft gestudeerd, nu is ze oud, maar ze was ooit theatermaakster. Beckett, Ionesco, eigen werk ook – alles tegen het kapitaal.

In haar schuur heeft ze een expositie ingericht van affiches van de strijd om Larzac. Gebalde vuisten met rode hamer en sikkel voeren de boventoon: ja, ze gelooft er nog steeds in. Maar Bové interesseert haar niet. Hij krijgt al genoeg aandacht, terwijl anderen toch ook hun steentje bijdragen. Al dat gedweep, ze houdt er niet van en dat laat ze blijken ook. Kijk, hier een foto van haarzelf, Thérèse Louvel, in Millau, op de dag van het proces tegen Bové en zijn kornuiten. Om haar hoofd een rode band met de tekst: `Nee tegen de Bovémania!'

Nog iets verder naar het oosten ligt Les Cuns, studiecentrum, gespecialiseerd in de strijd om Larzac. De toevallig aangesproken vrouw blijkt de levensgezel van Christian Roqueirol, die ook heeft meegedaan met de sloop van de `McDo'. Van de beweging houdt ze liever afstand. Maar al die aandacht voor José zit haar niet lekker. Hij kwam met negen anderen, onder wie Christian, uit de gevangenis van Millau, maar de fotografen en cameramannen duwden iedereen opzij om alleen hem vast te leggen. Heus, strijd en doel zijn goed, maar de praktijk is niet altijd even leuk. Zonder het succes van Larzac, dat wil zeggen het succes van iedereen, was dat van Bové onmogelijk geweest.

Sleutelplaatsen

Montredon, La Blaquière, Les Cuns – het zijn sleutelplaatsen in de geschiedenis van Larzac. Van die geschiedenis loopt een directe lijn naar het heden. José Bové geeft al heel wat langer dan vandaag persconferenties in Café de la Perle in Millau. Lange tijd was hij slechts één van de talrijke antimilitaristische, milieuminnende hippies die hier begin jaren zeventig neerstreken en in Larzac een elders in de wereld mislukte utopie waarmaakten. Persoonlijk gewin is zoveel mogelijk aan banden gelegd. Collectieve afspraken over de productie beschermen individuele boeren tegen een eventueel verdeel-en-heers-beleid van afnemers, zoals de fabrikanten van Roquefort-kaas. Grond die de staat in de jaren zeventig door gedwongen onteigening verkreeg, wordt verpacht en toegewezen volgens de regels van de door de boeren zelf beheerde Société Civile des Terres du Larzac. Veel boeren hebben zich verenigd in Gaecverband, coöperaties. En iedereen zegt `je' en `jij' tegen iedereen.

Tegenwoordig vecht de Confédération Paysanne, waarvan Bové de woordvoerder is, met de slagzin `De wereld is niet te koop' voor behoud van het regionale product en de kwaliteit van voedsel en leven. De bond keert zich tegen de mondialisering, multinationals met monopolieposities, genetische manipulatie, milieucriminaliteit en, meer in het algemeen, schending van de rechten van de mens. Hun strijd is breed, hun acties zijn principieel geweldloos en ludiek. En succesvol: de hele wereldpers, inclusief CNN, wist de onverstoorbare Bové de afgelopen maanden te vinden.

Larzac is onderdeel van de ruige causses van Aveyron dat zich ten zuiden van het Massif Central uitstrekt. Het is karstgebied, een aaneenschakeling van kalkstenen hoogvlakten, doorsneden en begrensd door rivieren als de Dourbie, de Tarn, de Jonte. Hoe verlaten, stil en uitgestrekt de hooggelegen steppen ook zijn, de hand van de mens is in het landschap terug te vinden. De ontelbare menhirachtige steenblokken die als vogelverschrikkers in vooral het oostelijke deel van de vlakten staan, zijn het gevolg van erosie, maar de evenzovele bergjes kleinere keien, soms uitgebouwd tot muurtjes, zijn blijken van eeuwenlang schapenhoeden. Waar een kei niet meer ligt, groeit volgend jaar misschien gras, wisten en weten de herders.

Arme, barre grond is het, waar de in Bordeaux geboren en getogen José Bové en Alice halverwege de jaren zeventig verliefd op werden. En zij niet alleen. Iemand als Jean Pierre Hamel, destijds goedbetaald bedrijfsadviseur, begon een nieuw leven en kocht een paardenranch onder Le Vigan. ,,De Club van Rome had net nulgroei bepleit, een nucleair conflict dreigde. Het is er nooit van gekomen, maar ik wilde hier mijn eigen atoomkelder bouwen.'' Niet zozeer angst als wel de tijdgeest dreef de meeste andere néoruraux, de nieuwe boeren. Terugkeer naar de boereneenvoud van het platteland, en verzet tegen de gevestigde orde waren de idealen. Larzac was slechts een gedroomd toevluchtsoord: begin jaren zeventig besloot de overheid van de ene op de andere dag een militaire basis uit 1903, in het midden van de streek, uit te breiden van drieduizend tot zeventienduizend hectare.

Het zou de genadeslag geworden zijn voor de in de loop van de eeuw toch al leeggelopen streek als niet 103 van de 107 betrokken boeren hadden besloten weerstand te bieden aan de bruuske onteigening van hun grond. Anders dan de naastgelegen Languedoc, van oudsher het domein van de opstandige Hugenoten, had het katholieke Larzac tot dat moment een reputatie van overheidsgetrouwe volgzaamheid hoog te houden. De dreiging verjaagd te worden van de gronden die al generaties lang in handen van hun families waren, maakte daar een eind aan.

Veranda

De natuurlijke leegloop van het gebied schrijft bewoner Jean Mauron toe aan de mobilisatie ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Toen zijn er veel mannen, zoals zijn vader, verdwenen en nooit meer teruggekeerd. Verscheidene boerderijen zijn die aderlating niet te boven gekomen. In 1958 werd het schooltje van Saint Sauveur gesloten, vanaf 1960 waren zijn vrouw en hij de enige bewoners van het gehucht aan de rand van de militaire basis. Pas achterin de jaren zeventig kwam daar verandering in: zelfs het schooltje kwam terug.

Mauron staat met zijn vrouw Elise op de veranda van hun huis. Vanachter het hek waarin de sinds lang vertrokken plaatselijke smid ooit de spreuk labor improbus omnia vincit (noeste arbeid overwint alles) verwerkte, hebben ze uitzicht op de schapenstal van José Bové en zijn mede-eigenaren. Ja, zegt Elise, ze zijn de streek wel eens uitgeweest. Ze zijn nu oud en versleten, maar ze hebben nog meegedaan aan de mars op Parijs, in januari 1973. Zevenhonderd kilometer, een karavaan van 25 tractors. Ze gingen in 1979 nog eens, te voet deze keer, en ze namen hun schapen mee. Foto's van kuddes aan de voet van de Eiffeltoren, en voor de rechtbank die moest oordelen over de bezwaren van de boeren, haalden destijds alle kranten. Het protest van de boeren van Larzac trok vanaf het begin nationale aandacht, de tijdgeest en de Franse geest van alle tijden hielpen verder een handje. Op traditioneel-revolutionaire wijze sloten arbeiders, bijvoorbeeld van de met sluiting bedreigde horlogefabriek Lipp, en burgers zoals de Bovés zich bij de boeren aan.

,,Eerst kwamen de mao's, de maoïsten'', herinnert Elise zich alsof ze geschoold is aan de Sorbonne. ,,Maar die wilden overgaan tot geweld en daar voelden we niets voor.'' Ze verdwenen ,,op een of andere manier'', toen de ,,geweldlozen'' het overnamen. Dat waren instits, onderwijzers, prolos, arbeiders, cathos, kritische katholieken waartoe Alice behoorde en dienstweigeraars zoals José. ,,Een goeie jongen, hoor!'', die tot dan toe ondergedoken had gezeten bij een ecoboer in de Gironde. ,,Schapen, geen kanonnen!'' werd het devies. De oude boeren zagen met genoegen hoe de jongeren `van buiten' de monumentale maar ingestorte schaapsstal van La Blaquière steen voor steen opbouwden – een daad van belang omdat het leger op het punt stond juist dit dorp in te lijven.

Jeanne Jonquet herinnert zich dat ook nog goed. Vermoeid kijkt ze vanachter het horrengaas van de keukendeur van haar eeuwenoude boerderij met kasteeltoren haar bezoeker aan. Ook zij heeft meegelopen met de mars, samen met haar broer Elie, met wie ze tot zijn dood, vorige maand, samenleefde. Vijfenvijftig was ze destijds, ,,jong en sterk''. Nu is ze, zittend in een doorgezakte crapaud naast de manshoge, zwartgeblakerde schoorsteenmantel in de keuken, oud, snipverkouden en verdrietig.

Dat François Mitterrand na zijn verkiezing tot president van de Republiek in mei 1981 zijn belofte hield, uitbreiding van het kamp afgelastte en de gronden in beheer gaf van de boeren – de oude én de nieuwe – was natuurlijk een prachtig resultaat, maar nog mooier is dat het gebied weer lééft, al zal zij het, hoopt ze, niet lang meer meemaken.

Bergerie

,,Er waren hier nog drie andere families, wij woonden hier niet zoals de Maurons in Saint Sauveur helemaal alleen, maar toekomst had ook ons dorp niet. We hebben de jongeren gevráágd de ruïnes in Montredon te kraken. Ze hebben onze zaak werkelijk willen dienen en waren niet op hun eigen plezier uit. Mensen als Bové en Roqueirol hebben jarenlang met hun gezinnen zonder stromend water en elektriciteit gezeten; die zijn er pas rond 1980 gekomen. Ja, ik ken de praatjes. Dat Bové nu alle aandacht opeist. Hier op het dorp woont iemand die dat ook beweert. Terwijl ze zelf part noch deel aan de strijd heeft gehad, doet ze of de overwinning aan haar te danken is. Ze heeft er nu zelfs een tentoonstelling over in haar schuur!''

Christian Roqueirol denkt er precies zo over. Op zijn terras met uitzicht over de fabelachtige causse noire, aan de voet van zijn samen met Bové beheerde bergerie van Saint Sauveur, wappert hij alle kritiek, inclusief die van zijn vrouw, weg. ,,Als hij ouwehoert, zeggen we dat tegen hem, net als vroeger. Zo'n vedette is hij niet, dat hij daar niet tegen kan. Zoek hem morgenochtend maar op, als hij de schapen uit het veld haalt, dan ziet u het zelf.''

Maar tot praten is Bové een paar dagen later pas bereid, in Café de la Perle. Dwingende ogen, helblauw inderdaad, onafscheidelijke pijp, blote voeten in sandalen, rustig betogend tegen vrije wereldhandel, transgene maïs en vóór het eerlijke kwaliteitsproduct. Hij is heel wat opener dan de ochtend dat hij zijn 525 schapen van het veld haalde en groep na groep, twintig tegelijk, aansloot op de melkmachine. ,,Pas in september gaat de bok erop'', had hij slechts gemompeld op de vraag of ze drachtig waren en verder had hij er het zwijgen toegedaan.

,,Ik had u nooit naar hem toe mogen sturen, zo 's ochtends vroeg'', zegt Alice Monier een paar dagen later op de door haar Federatie georganiseerde avondmarkt met regionale producten in Montredon. ,,De schapen melken is ontspanning voor hem. Het is het enige moment van de dag, dat er normaal gesproken geen journalisten voor zijn voeten lopen!'' Het gaat beter met haar dan een paar dagen eerder, vrolijk wijst ze naar een bord boven de onbespoten kersen van een vrouw met een Bové-T-shirt aan: `In iedere kers een gratis pit'. ,,Weet u'', zegt ze, ,,vandaag realiseerde ik me wat een geweldige geschiedenis pioniers zoals wij achter de rug hebben. Vijfentwintig jaar geleden was dit een ten dode opgeschreven gebied. Er zijn nu honderd nieuwe en vierhonderd oude boeren. Door de arme grond is Larzac daarmee vol. Huizen staan nog geen dag te koop. Het heeft enige moeite gekost, maar we zijn beloond met het paradijs.''

    • Pieter Kottman