Regio of sector

De manier waarop er wordt gedacht over hoe je een aandelenportefeuille samenstelt, is in een tijd van misschien vijf jaar volledig veranderd. Vroeger dacht men in regio's. Als het ging over de vraag waar de beste rendementen te verwachten waren dan riep de een: Oost-Europa, een ander zag meer in de opkomende landen langs de Stille Oceaan, en wie wat meer risicomijdend ingesteld was dacht eerder aan de Verenigde Staten of gewoon Nederland. Vandaag gaat het over heel andere dingen: men breekt zich nu het hoofd over de vraag of je nog wel zo zwaar als voorheen belegd moet zijn in de snelgroeiende sectoren informatietechnologie, media, en in telecom, en weegt dat af tegen relatief veiliger en meer voorspelbare bedrijfstakken als farmacie, levensverzekeraars, voedingproducenten of supermarktketens. Wáár de bedrijven binnen die sectoren hun beursnotering hebben, dat wordt nu van ondergeschikt belang gevonden.

Je ziet deze nieuwe lijn van denken ook terug in de samenstelling van het beleggingsfondsenaanbod. Vroeger stonden in hoofdzaak er Amerika-, Japan-, Emerging Markets (onder te verdelen in Verre Oosten, Latijns Amerika en Oost-Europa), en Nederland-fondsen op het menu. Vandaag is die lijst aangevuld met een enorm aanbod van sector-, maar ook themafondsen. En bijna al die fondsen beleggen binnen hun sector wereldwijd. En dat is eigenlijk ook logisch. Want de sectorbelegger gaat er van uit dat overal in de ontwikkelde landen vergelijkbare trends gaande zijn. Als je denk dat vergrijzing van de bevolking een groot thema zal zijn, zie je een mooie toekomst voor medicijnenmakers, en wil je daarin belegd zijn, ongeacht of die nu in Engeland, Zwitserland of Amerika gevestigd zijn.

Als oorzaak van de omslag van regio- naar sectordenken wordt vaak de introductie van de euro genoemd. Inderdaad maakte die het voor het eerst mogelijk om binnen grote delen van het oude continent te beleggen zonder valutarisico's. Maar de omslag is wereldwijd te zien geweest, dus de specifieke situatie van Europese beleggers kan nooit de enige oorzaak zijn. In feite valt het (ten dele) verdwijnen van het regiodenken samen met de mondialisering van de economie. Allerlei muren van protectionisme worden stukje bij beetje afgebroken, en ook kapitaal stroomt nu vrijwel zonder hindernis van het ene naar het andere land. Bedrijven die unieke producten maken, bieden deze wereldwijd aan. Bovendien dwingt de concurrentie tot kostenbesparingen; schaalvergroting over de grenzen is vaak een oplossing. Tegelijkertijd kan het geld van beleggers nu bijna ongehinderd wereldwijd op zoek gaan naar het hoogste rendement.

Top-down of Bottom-up

Als een professionele belegger wordt gevraagd zijn 'beleggingstijl' te typeren dan zal hij, als een van de kenmerken, altijd zeggen of hij 'top-down' of 'bottom-up' belegt.

Top-down betekent letterlijk van boven naar beneden. In dit verband word hiermee bedoeld dat iemand eerst bedenkt aan welke eisen de mix in zijn portefeuille moet voldoen. Hij begint dus van een grote afstand naar de aandelenmarkten. Hoe liggen de risico-rendementsverwachtingen in een land of regio? Hoe gevoelig zijn bepaalde sectoren voor een rentestijging? In welk land worden de hoogste macro-economische groeicijfers verwacht; of in welke bedrijfstak zal de winstgroei per aandeel het snels stijgen? Dan, na die eerste selectie, kijkt hij wat gedetailleerder, en pas uiteindelijk ontstaat er een lijst van individuele onderneming en die voor belegging in aanmerking komen.

De Bottom-up belegger doet het precies andersom. Die begint met het zoeken naar individuele bedrijven die aantrekkelijk ogen. Dat kan zijn: een extreem lage waardering, een nieuw, veelbelovend product dat het op de markt gaat brengen, maar het kan ook zijn dat er een nieuwe topman of -vrouw is aangesteld die eindelijk schoon schip gaat maken in het bedrijf. In het Angelsaksische jargon heet dat 'stock-picking'. Pas in tweede instantie kijkt hij of de bredere omgeving - denk aan de ontwikkelingen binnen een bedrijfstak of aan macro-economische cijfers van het land van vestiging - en tenslotte komt pas de vraag aan de orde of dat bedrijf ook nog een beetje past binnen de hele mix, de gewenste spreiding, van zijn aandelenportefeuille.

De meeste particuliere beleggers zullen van nature meer naar Bottom-up beleggen neigen dan naar Top-down. Dat komt de meeste mensen wel in staat zijn zich te identificeren met een bepaalde onderneming en maar het moeilijk vinden om zich een oordeel te vormen over het macro-economisch klimaat in een bepaald land. Ook zullen er weinigen zijn die zo koel en abstract te werk gaan dat ze eerst beslissen over hoe de mix in de portefeuille er globaal uit moet zien om pas daarna te gaan zoeken naar beursgenoteerde bedrijven die daarin passen.