Onverwoestbare stembank

Berichten uit het Nationaal Beiaardmuseum. Augustus 2000. Verschijnt drie maal per jaar. Een abonnement kost ƒ35,- te storten op giro 2453769 of bankrekening 523464088 t.n.v. de Vrienden van het nationaal Beiaardmuseum te Asten.

HET NATIONAAL Beiaardmuseum in Asten (Noord-Brabant) heeft er twee nieuwe vleugels bij. De inrichting zal nog even in beslag nemen maar in het augustusnummer van de Berichten uit het museum wordt alvast een tipje van de sluier opgelicht. Op de binnenplaats, zo schrijft directeur dr. André Lehr in een artikel, zal een reconstructie van de houten stembank van de gebroeders François en Pieter Hemony verrijzen. Voor het eerst kan het publiek straks met eigen ogen zien met welk type draaibank deze beroemde 17de-eeuwse Amsterdamse klokkengieters hun klokken uitdraaiden teneinde ze de juiste toon te geven.

Deze reconstructie is de culminatie van historisch onderzoek waarvan Lehr op aantrekkelijke en uitvoerige wijze verslag doet. De klokkengieterij aan het Molenpad werd tot 1667 beheerd door François Hemony. Daarna nam broer Pieter het roer tot 1680 over, waarop de zaak – inmiddels naar de Baangracht verhuisd – in verval raakte en in 1821 ophield te bestaan. De stembank werd opgekocht door Henricus Fritsen en verhuisde naar diens klokkengieterij in Aarle-Rixtel. Een kleinzoon, die in 1906 in dat dorp een nieuwe gieterij liet bouwen, verwerkte de toen al jaren in onbruikt geraakte constructie bij die gelegenheid tot brandhout. In 1915 publiceerde het tijdschrift Eigen Haard nog twee foto's van de stembank waarop te zien is hoe de robuuste machine van de Hemony's op het eind van de negentiende eeuw in de gieterij Petit & Fritsen stond opgesteld.

Uit beschrijvingen van tijdgenoten blijkt dat de Hemony's hun klokken iets te dik goten, opdat ze ongeveer een kwarttoon te hoog klonken: de stemreserve. Zo kon gecompenseerd worden voor niet te vermijden diktevariaties die tijdens het vorm- en gietproces optraden. Aan de binnenkant van de klok werd met scherpe stalen beitels zoveel brons verwijderd dat hij alsnog goed klonk. Dit karwei was verwant aan het op kaliber boren van geschut – waarbij de loop van een kanon overal dezelfde inwendige diameter kreeg – en inderdaad waren de Hemony's tevens geschutsgieters.

Maar hoe gebeurde dat stemmen precies? Op basis van gevarieerd bronnenmateriaal en zijn grote vakkennis doet Lehr een `poging tot reconstructie'. Om te beginnen zetten de Hemony's een klok op haar kop, met de mond naar boven. Vervolgens werd ze op een draaibaar plateau, de klauwplaat, vastgezet en uitgericht. Die was van hout en op basis van een analogie in de molenbouw (de wijze waarop de kap naar de wind werd gekruid) komt Lehr tot de conclusie dat conische rollers van iepenhout waarschijnlijk voor de lagering zorgden. In deze constructie kon de draaitafel wat slingeren, zodat de beitel verend tegen de binnenkant van de klok moest drukken. Zo werd voorkomen dat hij bij een excentrische draaibeweging vastsloeg in de klokkenwand.

De aandrijving van het draaiplateau geschiedde door vijf à zes man die een verticale spil ronddraaiden met daarin een gat waardoor een boom was gestoken (zie de figuur). Via een kamwiel aan de bovenzijde van de spil werd in combinatie van een lantaarnwiel of rondsel de uit spierkracht verkregen draaiing doorgegeven aan een vertikaal gemonteerd rad waarover een snaar loopt. Die snaar drijft beneden een (kleiner) wiel aan dat op zijn beurt via een tweede rondsel de klauwplaat in beweging zet. Aldus draaide de klok zijn rondjes en een schatting van de maten en aantallen tandwielen brengt Lehr tot de conclusie dat de binnenkant met zo'n 0,5 meter per seconde tegen de beitel moet hebben geschuurd.

Die handbeitel werd door een sleuf in een vertikale vaste spil gestoken die in het klepeloog in een tapgat rustte en boven aan een balk was bevestigd. Omdat de spil niet onder invloed van de optredende krachten uit het tapgat mocht springen, was hij niet van hout maar van onbuigzaam ijzer. De beitel, die bij de Hemony's een strook van een halve centimeter wegschraapte, klemde onder een hoek van ongeveer 60 graden tegen het brons. Is de hoek veel kleiner dan treedt geen verspaning op, is hij groter dan slaat de beitel te gemakkelijk vast. Wilde de klokkenstemmer de klank beluisteren, dan trok hij de beitel even terug zodat deze los van de wand kwam.

Bij het ter perse gaan van de Berichten, zo schrijft Lehr in een nawoord bij zijn artikel, kwam in het Gemeentearchief van Amsterdam nog een interessante bron boven water. In het volgende nummer zal hij er uitvoerig op terugkomen. Het zou aardig zijn als Lehr dan tevens als vervolg op zijn nu gepubliceerde lijst van zwaarste klokken in Nederland – bovenaan prijkt de Grote Kerk in Dordrecht met een gewicht van 9.830 kilo – een wereldranglijst opneemt. Lager dan een e (onder de balk met de F-sleutel) moet toch kunnen.

    • Dirk van Delft