Onder de cumulus

We kijken door het raam van haar werkkamer naar buiten. Verspreid in de lucht drijven wattige wolken. ``Cumuluswolken'', zegt ze. Zijn die geschikt voor metingen? ``Ja, dit is niet verkeerd. Het onderzoek waar ik nu mee bezig ben richt zich vooral op laaghangende bewolking.''

Hannelore Bloemink (32) werkt in het nieuwe gebouw van het KNMI. Het loopt schuin af, richting snelweg Utrecht-Amersfoort. Er staan witte schotelantennes en meetapparatuur op het dak. Ze heeft bruine ogen en lang haar, in een losse staart. Oorspronkelijk is ze opgeleid tot natuurkundige, nu doet ze sinds tweeëneenhalf jaar wolkenonderzoek. Enigszins gespannen weegt ze haar woorden: ``Ik ben gepromoveerd op molecuulfysica en kwantumoptica. Hier ben ik meer bezig met atmosferische fysica. Het trok me aan, omdat het toegepast onderzoek is – je ziet duidelijk waarom je iets doet, welk nut het heeft – en vanwege de afwisseling tussen denk-, computer- en meetwerk.''

In haar werkkamer hangt een affiche met een Italiaanse stad en de woorden 'Eumetsat Meteorological Satellite Data User's Conference'. Overal hangen comics van The Far Side, in de vensterbank ligt een opblaasbare speelgoedglobe. Ze werd oorspronkelijk aangenomen voor een project van drie jaar, gesponsord door SRON, de Stichting Ruimteonderzoek Nederland, waarbij technieken vanaf de grond worden uitgeprobeerd, die later bij studies van atmosfeer en wolken uit satellieten worden toegepast.

Voor haar tweede project coördineert ze momenteel metingen van meteostation Cabauw. CLIWA-NET (Clouds Liquid Water Network) is een Europese meetproject, gesponsord door de EU. Ze werkt er aan met zeven collega's, deels technici, van de atmosferische onderzoeksgroep: ``De metingen dienen om wolken beter in weer- en klimaatmodellen te kunnen beschrijven. Dit is bijvoorbeeld belangrijk om te voorspellen welke rol wolken spelen in een broeikas-scenario.''

Voor het project zijn drie veldcampagnes opgezet met metingen die twee maanden lang op twaalf plekken in Europa worden verricht (zoals Kiruna in Zweden, St. Petersburg in Rusland en Bern in Zwitserland). De uitkomsten worden vergeleken met die van satelliet-metingen, die een overall view opleveren. Getracht wordt met uiteenlopende technieken – infrarood, licht, microgolven – een zo betrouwbaar mogelijk totaalbeeld te verkrijgen: sensorsynergie. Straks komt TARA, een wolkenradar, pas ontwikkeld door de TU-Delft, er bij. Ze is hem al in Delft gaan bekijken, een oplegger met twee gigantische zilverkleurige komvormen, die op de hemel gericht kunnen worden. ``Het principe is heel eenvoudig: je stuurt microgolfstralingen naar boven en kijkt wat terugkomt. Afhankelijk van de wolk die er zit krijg je verschillende signalen terug. Het grote voordeel is, dat je in feite door wolken heen kunt kijken.''

Als we in haar auto naar meetstation Cabauw rijden, komen we langs de nieuwbouwwijken van IJsselstein en de zendmast van Lopik. Bij boerderijen met opgeschoren coniferen staan borden voor een wedstrijd polsstokhoogspringen en tegen het plaatsen van GSM-masten. Een jongetje vist op een vlondertje langs een vaart. Bloemink wil in Cabauw kijken of het programma, dat aanvankelijk niet goed werkte, nu wel functioneert. ``Het grootste deel van de tijd zit ik gewoon in De Bilt achter mijn computer veldgegevens uit te werken. De instrumenten meten continu. Bij de volgende campagnes zal er meer in het veld geregeld moeten worden. Ik ga om de dag naar Cabauw om te kijken of alles goed draait. Ik check meteen of alles nog schoon is. Het spul staat allemaal buiten.''

Enkele kilometers buiten Lopik komen we bij het meetstation. In een hoek van het terrein, waar TARA zal worden geplaatst, zijn betonplaten gelegd. Op het toegangshek van het KNMI-terrein hangt een waarschuwingsbordje met een hamer en andere zaken die uit de lucht komen vallen. In het veld is een man bij een blauw bestelbusje bezig met meetinstrumenten.

De buisvormige meteomast, 200 meter hoog, staat met kabels verankerd in de grond. Hij heeft om de twintig meter een klein platform met drie opklapbare, opengewerkte armen waar apparatuur aan bevestigd kan worden. Bloemink: ``De mast is heel strak geconstrueerd, zwabbert niet, om meetafwijkingen te voorkomen. Van de mast krijgen we standaardgegevens: windsnelheid, -richting en de temperatuur, van nul tot 200 meter hoogte.'' De voet van de mast is opgenomen in een bunkerachtig, achthoekig gebouwtje. Rond de torenbuis met een diameter van twee meter bevinden zich enkele werkvertrekken en een sfeerloze koffiekamer. Een deurtje biedt toegang tot een kokervormige lift.

In één ruimte staan achter een paneeltafel apparaten in een stalen kast met glazen deuren. Op een beeldscherm met tijd- en datumindicatie zijn videoluchtopnamen te zien. Bloemink, wijzend op een beeldscherm met kleurige rasterpatronen: ``Dit zijn de resultaten van de Lidar, die twee metingen per minuut verricht.'' Ze vult een logboek in en ik krijg groene kaplaarzen te leen van technicus Willem Hovius, die met een computer in de weer is. We lopen de wei in. Bloemink: ``Vorig jaar hebben we meegedaan aan een meetcampagne in Frankrijk, ten zuiden van Parijs. De apparatuur ging mee in een minibusje. Die campagne duurde vier weken en was gericht op metingen van cirruswolken, die hoge, dunne ijswolken. Ik ben er halverwege nog eens heen gegaan om te kijken of alles in orde was. In november gaan we naar Bretagne voor weer een ander wolkenproject.''

Praktische problemen zijn er genoeg. Bloemink: ``Instrumenten kunnen kapot gaan of het is te druk in de lucht als je wilt vliegen. In Frankrijk konden we maar heel beperkt vliegen, we zaten vlakbij Orly en Charles de Gaulle. Je moet geduldig zijn, soms kan het lang duren voordat je goede metingen hebt, bijvoorbeeld als er geen wolkje aan de lucht is, wat enkele jaren geleden gebeurde.'

We komen bij een betonstrip met kabels, die via geleiders dertig centimeter boven de grond worden gehouden, ter bescherming tegen knagende konijnen en hazen. Er staan twee kastjes op een paaltje: ``Deze infraroodradiometer meet de temperatuur van de onderkant van wolken via een venster op het apparaat.'' Naast het venster – dat ze controleert op vogelpoep – bevindt zich een neerslagmelder: een koperkleurig piramidaal dakje met printplaatjes en op de ribben rijtjes koperen pinnetjes. Bloemink raakt de pinnetjes met natte vingers aan om te demonstreren dat een uitzwaaiend kapje de lens afsluit bij regen om vertroebeling van de lens te voorkomen.

Even verderop staat een wit apparaat met bovenin vier ronde lensgaten, het lijkt op een verticaal geplaatste video-beam. Lidar, een laserradar van Finse makelij, zendt lichtpulsen naar boven die door wolken wordt teruggekaatst. Bloemink: `'Dat het licht niet door een dichte wolk heendringt, heeft als voordeel dat je kleinere deeltjes, waterdruppeltjes, die veelal aan de onderkant zitten, beter kunt bestuderen. Je kunt de laserbundeltjes net niet zien, ze zijn heel zwak. Aan de tijd die de laserstraal onderweg is, is te meten hoe hoog de bewolking is. Ze staan ook vaak bij vliegvelden.''

We lopen naar de andere kant van het weiland en komen langs een regenmeter in een ronde grindput. Op palen staan miniatuur vliegende schotels, met doorzichtige, kunststof koepeltjes: stralingsmeters.

Op de achtergrond is een zinderend hoog zoemgeluid te horen. Hannelore wijst naar een opstelling: een rechthoekige, V-vormige bak die in een metalen frame hangt: ``Een wind-profiler, een soort radar om windsnelheden tot een paar kilometer hoogte mee te bepalen. Hij zendt ook geluidsgolven omhoog; de snelheid waarmee deze zich verplaatsen is afhankelijk van de temperatuur, zodat ook temperatuur-profielen gemeten worden.

In de hoek van het weiland staat in een zwaar metalen behuizing een videocamera met groothoeklens opgesteld in een hoek van 45 graden, zodat hij zowel de contouren van de horizon als de wolken recht boven de camera registreert. ``Hij is op hetzelfde deel van de lucht gericht als de meetapparaten, om achteraf, bij het uitwerken van gegevens, een beter idee te krijgen van wat er is gebeurd. Hij geeft één beeld per drie, vier seconden weer. Je krijgt dan van die snel voorbijtrekkende wolkenluchten op de monitor.''

Als we naar De Bilt terugrijden, geeft een digitale thermometer op een gebouw 24 graden aan. Bloemink: ``Dat lijkt me aan de hoge kant.''

Ze woont alleen in een driekamer-gallerijflat in het centrum van De Bilt. In de gang staan wandelschoenen, er hangen grote natuurfoto's uit tijdschriften en een poster van John Cleese, verstrikt in zijn `silly walks'. In de woonkamer – een witgeverfde rotanstoel en een oude liberty stoel – ligt op een tafeltje National Geographic en er staat een piano: ``Ik heb vanaf mijn tiende jaar les gehad'. Op de vensterbank liggen gevonden stenen, schelpen en een zee-egel. Na haar promotie werkte ze twee jaar als postdoconderzoeker aan de universiteit van Exeter, Engeland en een jaar in Californië. Daar onderzocht ze in een laboratorium atomen op honderd kilometer hoogte in relatie tot het noorderlicht. ``Het was leuk werk, maar ik kan het niet goed hebben dat ik aan het noorderlicht heb gewerkt, terwijl ik het nog nooit met eigen ogen heb waargenomen.''

Dit is de zesde en laatste aflevering van een zomerserie over wetenschap in het vrije veld. In oktober verschijnt bij uitgeverij Ad Donker het boek `Veldwerk in de lage landen' van Lex Veldhoen met foto's van Leo van Velzen (ISBN 9061005108, prijs ca. ƒ27,50). Daarin zijn behalve de huidige reeks verhalen ook zeven portretten opgenomen die vorige zomer in NRC Handelsblad verschenen.