Nuttige vrienden

Dat homo's vaak hun neven en nichten helpen is nooit bewezen. Het nieuwste idee is dat homo's elkáár helpen en ook wel degelijk kinderen krijgen.

In vrijwel alle culturen komt homoseksualiteit voor, voorbeelden te over. In Zuid-China gingen tienduizenden vrouwen aan het einde van de negentiende eeuw levenslange homoseksuele verbintenissen aan (in het kader van een brede `huwelijksweigeringsbeweging'). Bij de Afrikaanse Siwah-stam in Libië is het heel gewoon dat machtige mannen een jongere minnaar hebben, ongeveer zoals uit het klassieke Athene bekend is. Bij de Yanomamo-indianen in Venezuela onderhoudt meer dan de helft van de jongens voordat ze trouwen homoseksuele relaties. En in het prekoloniale Tahiti maakte homoseksualiteit een integraal onderdeel uit van gezworen vriendschappen.

Bij zo'n wijdverspreide praktijk komt in de antropologie onmiddellijk de vraag op: wat is het nut? In het juni-nummer van Current Anthropology presenteert de Amerikaanse antropoloog en bioloog R.C. Kirkpatrick een nieuwe hypothese omtrent homoseksualiteit. Volgens hem speelt homoseksualiteit een belangrijke rol als versterking van vriend- en bondgenootschappen tussen mensen van gelijk geslacht. Die versterkte bondgenootschappen zouden een duidelijk sociaal en zelfs evolutionair nut hebben. ``Homoseksualiteit is geen voortplantingsstrategie, maar een overlevingsstrategie.''

De vraag naar het nut van homoseksualiteit komt vooral op in een evolutionair kader. Want hoe kan seksueel gedrag dat evident niet gericht is op voortplanting zo algemeen verspreid zijn, en waarschijnlijk al duizenden, zo niet miljoenen jaren bestaan? Als homoseksualiteit inderdaad voor een deel erfelijk is, zoals sommige onderzoeken lijken te suggereren (bijvoorbeeld dat een gen op het X-chromosoom zou meespelen, volgens Dean Hamer in Science, 16 juli 1993), is dat al helemaal een raadsel. Als standaardoplossing voor dit mysterie geldt sinds de jaren '70 (toen Edward O. Wilson deze hypothese beschreef in zijn boek Sociobiology) dat homoseksuelen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de overleving van hun (genetisch verwante) familie. Anders gezegd: homo's zorgen goed voor hun heteroseksuele neefjes en nichtjes die vervolgens het hypothetische `homo-gen' dat zij in recessieve vorm kunnen hebben, weer verder helpen verspreiden. Een tweede, minder bekende theorie is dat homoseksualiteit ontstaat omdat ouders daar belang bij hebben. Zij manipuleren de opvoeding van sommige van hun kinderen zo dat deze afzien van voortplanting en homoseksueel worden. Deze kinderen kunnen dan hun broers en zussen helpen, zodat die en hun nageslacht een betere kans hebben om te overleven.

VOORTPLANTING

Kirkpatrick concludeert uit het (beperkte) bewijsmateriaal voor deze twee thesen dat er voor geen van beide veel te zeggen is. Het enige dat hij in het beschikbare etnografische materiaal kon vinden ten gunste van de eerste (`familieledenhulp'-)hypothese was dat homoseksueel gedrag vaak lijkt voor te komen bij individuen die toch niet veel kans hebben op voortplanting, maar veel stelt het niet voor. En er is al helemaal weinig te vinden dat er op wijst dat homoseksueel gedrag in het algemeen leidt tot geringere voortplanting. Of homoseksuelen daadwerkelijk hun familie beter helpen dan heteroseksuelen of celibatairen (de cruciale voorwaarde voor dit idee) is al helemaal onbekend. Ook voor voor de tweede these, de ouderlijke manipulatie, is weinig bewijs gevonden, behalve dat in Florence in de 15de eeuw ouders homoseksuele relaties tussen hun kinderen en machtige leiders stimuleerden.

Blijft over Kirkpatricks eigen hypothese. Basis van zijn idee is het gegeven dat biseksualiteit vaker voorkomt dan `zuivere' homoseksualiteit en dat homoseksualiteit vaak slechts gedurende een bepaalde levensfase (meestal de puberteit) voorkomt. Homoseksualiteit hoeft dan ook helemaal niet samen te gaan met een gebrek aan voortplanting. Veel harde cijfers zijn er niet over beschikbaar, maar van een groep van 265 homo- en biseksuele mannen, ouder dan 30, in Japan bleek 83 procent kinderen te hebben. Volgens Kirkpatrick maakt dit de weg vrij om homoseksualiteit vooral te beschouwen als een seksuele versterking van een alliantie tussen mensen van gelijke sekse. Deze opvatting past in een bredere visie op seksualiteit, waarbij deze helemaal niet alleen de voortplanting als nut heeft. Bij hogere primaten zoals de mens leidt slechts een miniem deel van de seksuele handelingen daadwerkelijk tot voortplanting. Voor de rest kan seks gezien worden als een middel tot versterking van de onderlinge band, ook binnen heteroseksuele verhoudingen. De bobono (Pan paniscus) is zelfs beroemd geworden om het intensieve gebruik van homo- en heteroseks als vredestichtende en voedselverdelingsstrategie. Ook bij de mens is de relatieversterkende functie van seks bij paarvorming belangrijk.

Kirkpatrick noemt een aantal voorbeelden van gunstige homoseksuele bondgenootschappen. Bij de Azande in Afrika spelen bijvoorbeeld lesbische relaties een rol in handelsnetwerken. Bij een Maya-stam in het Midden-Amerikaanse Belize blijken de kinderen van mannen die een bondgenootschap met een andere man hebben vaker te overleven dan die van mannen zonder zo`n vriendschap. De verhoudingen tussen oudere mannen en jongens in Melanesië hebben voor beide partijen voordelen: werk op het veld en seksuele diensten in ruil voor voedsel en onderwijs.

De nieuwe hypothese over het `nut' van homoseksualiteit krijgt in de kritiek die (zoals gebruikelijk in Current Anthropology) na het artikel volgt, overigens geen warm onthaal. Waarom zou je voor iedere vorm van gedrag een evolutionair nut moeten zoeken, vraagt een van de critici, Jeffrey Dickemann, zich af. Het is evident dat het gebruik van taal sterk heeft bijgedragen aan de overleving en voortplanting van de mens, maar dat betekent toch niet dat iedere vorm van taalgebruik daarvoor nuttig is? Het zou best wel eens kunnen zijn dat de voortplanting van de mens genoeg heeft aan een ongerichte lust tot seksuele ontlading die verder alleen door culturele regels en ideeën wordt vormgegeven, aldus Dickemann. In dezelfde lijn vraagt de neurobioloog Paul L. Vasey (Concordia University, Montreal) zich af of homoseksueel gedrag niet veel eenvoudiger te verklaren is als een evolutionair neutraal bijeffect van een meer algemene, wel evolutionair relevante eigenschap, zoals het streven naar seksueel genot. Overigens kan zo'n `nutteloos bijeffect' later weer wel een functie krijgen, aldus Vasey, bijvoorbeeld op de manier zoals Kirkpatrick voorstelt.