Het verhaal van de hand

Help! Wie kan onze kinderen nog aan?' roept Vrij Nederland uit op zijn omslag van 5 augustus. `Alles haben, alles dürfen, alles wollen.. Die verwöhnten Kleinen' lezen we in Der Spiegel van een week later. Ik bedoel niet dat het ene weekblad zich door het andere heeft laten inspireren, maar dat het onderwerp in de lucht zit. VN heeft een tekening van Jaap Vegter. Een gezinstherapeute zit in gezinstherapeutehouding over haar bureau geleund. ,,Je vader.. Sláát'ie je weleens?'' De plusminus vijftienjarige cliënte, in knorrig verzet aan de andere kant: ,,Ja.. Soms slaat-ie terug.'' – Ik maak van de gelegenheid gebruik om even mijn hoed af te nemen voor Vegter met zijn tekeningen met teksten van Vegter. Als we hem en Peter van Straaten niet hadden, zouden we heel wat minder van `onze tijd' weten. Der Spiegel laat een bozig-arrogant jochie zien die genadig toelaat dat zijn geknielde moeder zijn veters strikt.

Zou ik gaan lezen over wat de kinderen van deze tijd zich allemaal veroorloven, al die dingen waaraan de kinderen van de vorige tijd niet eens dachten? Later misschien. Mijn vleugje leedvermaak koesteren ten koste van een generatie ouders die met enige luidruchtigheid ontdekt wat iedere generatie ouders nu eenmaal moet ontdekken? Heel even. Toen vroeg ik me plotseling af of ik zelf wel eens mijn hand tegen mijn vader of moeder had opgeheven.

Ja. Toen ik een jaar of vijf was, tegen mijn moeder. Voorzover ik me herinner is het bij dreigen gebleven. Ze zei: ,,Als je je moeder of je vader slaat, groeit je hand boven het graf.'' Al eerder had ik gehoord dat kinderen die koffie drinken, groen haar krijgen. Dat was geen goed vooruitzicht; maar je hand boven het graf! Ik liet mijn arm zakken en verdiepte me in een toekomst die ik nog juist had vermeden. Niet lang daarna werd een verre tante begraven. Wilde ik mee of liever thuis blijven; want mijn moeder kon het zich voorstellen dat het voor een vijfjarige leuker zou zijn, buiten te spelen. Ik wilde mee, liep in de stoet over het kerkhof en inspecteerde. Nergens groeide een hand boven het graf.

Er zijn beelden die je blijven bezighouden, je leven lang. Om een ander voorbeeld te noemen, ook nog uit die tijd, maar iets later. Ik las een spookverhaal. Het spook zat in een kast, stortte zich plotseling de kamer in, en ik las: `Het had een gezicht van gekreukt linnen'. In duurzaamheid heeft het dezelfde kwaliteit als `hand boven het graf.'

Jaren en jaren later kreeg ik het boek van dr. Hans Prinzhorn, Bildernei der Geisteskranken in handen. Prinzhorn is een Duitse psychiater die een verzameling heeft aangelegd van beeldende kunst, gemaakt door patiënten van psychiatrische inrichtingen. Een prachtig boek, zeg ik erbij. Er was een schilderij, voorstellend een soort akker waaruit hoog uitgestoken handen aan gestrekte armen groeiden. Het heette `Wederopstanding' – Ik vertel het uit mijn hoofd. Ik had het geleend en ik heb het weer teruggegeven, tegen mijn zin. Dit schilderij deed het `hand boven het graf' in al zijn afschrikwekkende geheimzinnigheid herleven.

Toen werden de bermen van de grote weg over het Museumplein in Amsterdam versierd met sculpturen. Eén daarvan bestond uit een bundel uit de grond groeiende armen met handen. Kunstliefhebbers hadden er al vlug een paar vingers afgeslagen. Eindelijk ging het plein op de schop en het beeldhouwwerk (het spijt me dat ik de naam van de maker niet ken), verdween, voor mij spoorloos. Misschien staat het nog ergens – wijs me de plaats.

Ik kreeg een nieuwe kans. In New York was een tentoonstelling van de Verzameling Prinzhorn, met een mooie, dikke, rijk geïllustreerde catalogus Beyond Reason, Art and Psychosis, Works from the Prinzhorn Collection. Een prachtig boek met schilderijen en grafiek, als inkijkoperaties in de hersenen. Maar geen `hand boven het graf'. Het was een teleurstelling die me aan de begrafenis van mijn tante deed denken.

Dit stukje is begonnen als bewijs van deelneming aan het adres van de ouders van tegenwoordig die het moeilijk hebben met de kinderen van tegenwoordig. Het is uitgedraaid op een streng herinneringen. Ik geef toe, daar schieten deze vaders en moeders niets mee op. Maar: probeer het eens met het verhaal van de hand.

    • S. Montag