GEHEUGEN VAN RATTEN IS OOK OP BIOCHEMISCH NIVEAU INSTABIEL

De instabiliteit van het geheugen is op biochemisch niveau aangetoond met rattenonderzoek aan de New York University (Nature, 17 augustus). Iedere keer als herinneringen aan angstige gebeurtenissen worden opgeroepen, blijken in het verantwoordelijke hersendeel nieuwe eiwitten te worden aangemaakt. Als deze eiwitproductie kunstmatig wordt stilgelegd, blijken de herinneringen na het oproepen te verdwijnen. Kennelijk worden ze dan niet opnieuw vastgelegd. Er is weinig reden om aan te nemen dat het geheugen bij ratten op biochemisch niveau anders werkt dan bij mensen.

De ontdekking betekent een biochemische onderbouwing van de onder psychologen al langer bestaande overtuiging dat het geheugen geen `ladenkastje met gegevens' vormt, maar een dynamisch proces waarbij herinneringen niet zozeer worden opgeroepen als wel telkens opnieuw gereconstrueerd. In een begeleidend persbericht van New York University opperen de onderzoekers dan ook dat hun ontdekking een biochemische verklaring kan vormen voor het bekende verschijnsel dat mensen zich relatief gemakkelijk dingen kunnen `herinneren' die nooit zijn gebeurd, maar hen werden gesuggereerd door bijvoorbeeld een politieondervrager of psychotherapeut. Uit geheugenonderzoek van de Amerikaanse psycholoog E. Loftus, maar ook van de Nederlander W. Wagenaar, blijkt dat het betrekkelijk eenvoudig is om het geheugen van proefpersonen te manipuleren.

In het nu gepubliceerde experiment werd de ratten geleerd een geluid te associëren met een elektrische schok in een pootje (een klassieke geheugenproef). Een dag na afloop van dit conditioneringsproces kregen de ratten weer hetzelfde geluid te horen, en reageerden zoals te verwachten was met `bevriezing' van alle beweging: de typische schrikreactie van een rat en het bewijs van de vestiging van de lange-termijnherinnering. Bij een deel van de ratten werd onmiddellijk hierna in de amygdala (een hersendeel dat verantwoordelijk is voor de vestiging van aan angst gerelateerde herinneringen) een stof (anisomycine) ingespoten die de productie van nieuwe eiwitten onmogelijk maakte. De rest van de ratten (de controlegroep) kreeg een vergelijkbare maar functieloze stof ingespoten. De volgende dag bleek dat de ratten die anisomycine ingespoten hadden gekregen aanzienlijk minder reageerden op het geluid dan de andere ratten. De afname van de bevriezingsreactie bleek nauw samen te hangen met de dosis anisomycine. De verdwijning van de herinnering vond alleen plaats als ze daadwerkelijk werd opgeroepen. Inspuiting met anisomycine zonder dat het geluid klonk, leidde niet tot verdwijning van de herinnering.

    • Hendrik Spiering