Geef scholen schone wc's en veel pc's

Zeventien jaar is mijn dochter en een verstandig meisje. Op school gaat ze nooit naar de wc. Dat is begrijpelijk, want de wc is te vies, maar ongezond. Meisjes die hun plas ophouden, hebben kans op blaasontsteking - de kans op nierbekkenontsteking en onvruchtbaarheid wordt groter.

Moet ik nu bij de eerste de beste blaasontsteking de rekening naar het ministerie van Onderwijs sturen? Hoogleraar bestuurskunde Roel in 't Veld vindt klaarblijkelijk van wel, gezien zijn pleidooi eerder deze week. In 't Veld vindt dat scholen en ouders de rekening voor noodzakelijke voorzieningen naar Zoetermeer moeten sturen.

Den Haag, maar ook individuele ouders moeten het geld opbrengen om het onderwijs op peil te brengen, of het nu om de inhoud of om de gebouwen gaat, vindt In 't Veld. Ook minister Hermans van Onderwijs heeft geen bezwaar tegen een systeem waarbij ouders meer dan nu betalen voor beter onderwijs voor hun kinderen.

In die redenering is onderwijs een consumptiegoed en mijn dochter en ik zijn de consumenten. Het is een benadering, maar niet de mijne en het is maar een deel van de werkelijkheid.

Een reëlere benadering is, dat onderwijs een collectief goed is, betaald door de samenleving en ten behoeve van de samenleving. Daarom ook wordt het onderwijs voornamelijk gefinancierd uit de belastingopbrengsten. Dat schoolgebouwen vies zijn en slecht onderhouden, zegt iets over de waardering van de samenleving voor deze sector.

Onderwijs is echter niet alleen een plaats waar kinderen worden geacht iets te leren, voor honderdduizenden mensen is het ook de werkplek. Honderdtwintigduizend mensen werken in het primair onderwijs (cijfers over 1998 van het ministerie van Onderwijs), het voortgezet onderwijs telde dat jaar ruim 51.000 arbeidsplaatsen voor leraren.

Al die mensen hebben een werkplek zonder bureaus, zonder een pc voor iedere werknemer, zonder ruimten waar leraar en leerling individueel met elkaar in gesprek kunnen gaan. Het is bovendien vaak een werkplek die niet voldoet aan de eisen die de arbeidsomstandighedenwet stelt.

In het verleden is mondjesmaat wel enig geld verschaft voor het wegwerken van achterstallig onderhoud. Evenzeer is er nauwelijks geld voor het verbouwen van scholen. Ze zijn noch aangepast aan de onderwijskundige veranderingen, noch aan de eisen van de tijd. Wie het ministerie van Onderwijs met dergelijke feiten confronteert, hoort daarop dat wel 105 miljoen gulden is uitgetrokken voor aanpassing van schoolgebouwen voor studiehuis en voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. Dat lijkt heel wat, maar in geen sector werkt de wet van de grote getallen zo versluierend als in het onderwijs. Het voortgezet onderwijs telt (cijfers uit 1998) 827.600 leerlingen. Dat betekent dat per leerling ruim honderd gulden beschikbaar is. Wie de investering over tien jaar afschrijft kan dus duizend gulden per leerling investeren, voorwaar geen riant bedrag.

Maar het ergst aan de redenering van de woordvoerders van het ministerie is wel de opmerking dat scholen niet worden verplicht tot verbouwing, omdat dat nergens wordt opgelegd. Aangezien nooit in een wet zal worden vastgelegd dat leraren op hun werkplek de beschikking moeten hebben over een bureau en een pc, kan het onderwijs lang wachten op adequate financiering door het rijk. Voorlopig blijft de school dus een werkplek waar het niet aangenaam toeven is. De werkgevers in het onderwijs moeten met zulke scholen concurreren op een nogal gespannen arbeidsmarkt. Iedere werknemer wil een nette werkplek en het onderwijs is erbij gebaat als ook leraren gewone werknemers worden.

De minister die geen geld overheeft voor fatsoenlijke werkomstandigheden voor honderdduizenden leraren, is dezelfde minister die geld uittrekt voor een campagne om mensen te motiveren tot een loopbaan in het onderwijs. De volksvertegenwoordiging heeft er overigens al die tijd bijgestaan dat het zo is gelopen.

Maar geld voor gebouwen en exploitatie van scholen is nooit een populair thema geweest onder politici. Veel gevoeliger zijn de volksvertegenwoordigers immers voor salariseisen van vakbonden, terwijl moeilijk kan worden volgehouden dat de hoogte van het salaris alles bepalend is voor de aantrekkelijkheid van een beroep.

Eind augustus gaat de vaste Kamercommissie voor Onderwijs praten over de onderwijsarbeidsmarkt. Het is te hopen dat de Kamerleden daarbij ook eens na willen denken over het belang van een prettige werkplek voor de aantrekkelijkheid van het beroep. En over de vraag of de armoedige behuizing van het Nederlandse onderwijs geen symbool is voor de geringe waardering voor de sector.

Dat is niet erg aantrekkelijk voor jongeren die het voor het kiezen hebben op de arbeidsmarkt. Want wie wil nu bij de losers van het onderwijs horen? Everybody loves a winner. En een winner heeft tenminste een schone wc op het werk.

Maria Sitniakowsky is voorlichter van VOS/ABB, werkgeversorganisatie voor openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs.

    • Maria Sitniakowsky