`Geef aan God het gezag over Jeruzalem'

Om alsnog tot een vredesakkoord tussen Israel en de Palestijnen te komen, moeten de partijen het achterhaalde idee van volledige soevereiniteit over Jeruzalem laten varen. Leg het gezag in handen van God. Gesprek met een moderne, vrome adviseur.

Is `Gods soevereiniteit' over de oude, ommuurde stad van Jeruzalem het lumineuze idee dat het sluiten van een Israelisch-Palestijnse vrede mogelijk maakt? Dr. Menachem Klein, hoofdonderzoeker aan het Jeruzalem Instituut voor Israel Studies, gelooft dat dit nieuwe idee de potentie heeft het ijs tussen premier premier Ehud Barak van Israel en de Palestijnse leider Yasser Arafat te breken. Op Baraks verzoek om, na het mislukken van de recente top op de kwestie Jeruzalem, nieuwe denkbeelden te ontwikkelen heeft Klein de ,,gedachte van Gods soevereiniteit'' als uitgangspunt voor een oplossing op tafel gelegd.

Over de introductie in het internationale recht van God als de hoogste soevereine gezagdrager over de oude stad van Jeruzalem, met zijn islamitische, christelijke en joodse heilige plaatsen, laat Klein tijdens een gesprek in een café in Jeruzalem weinig los. ,,Er wordt nu over gesproken'', zegt hij. ,,Ik kan er niets over zeggen.'' Dr Klein doelt op de nieuwe diplomatieke missie van de onderhandelaar Dennis Ross, die in opdracht van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, heen en weer reist tussen Jeruzalem en Ramallah.

Het uitgangspunt van Klein is dat het idee van absolute soevereiniteit is verouderd en dat zich in het internationale recht nieuwe vormen van soevereiniteit ontwikkelen. Dat bracht hem als moderne en vrome man op de gedachte om God met de hoogste vorm van soevereiniteit over het heiligste deel van Jeruzalem te bekleden. ,,Dat is mogelijk als Israeliërs en Palestijnen tot de conclusie komen dat voor geen van beiden volledige soevereiniteit over Jeruzalem aan de onderhandelingstafel haalbaar is'', zegt hij.

Volgens Klein maakte de Amerikaanse president, Bill Clinton, in Camp David de fout dat hij de kwestie-Jeruzalem via de invalshoek van het verouderde concept van absolute soevereiniteit benaderde. ,,Hij had met andere ideeën moeten komen'', meent Klein. Een van de mogelijkheden is dat Israeliërs en Palestijnen op voet van gelijkheid de hoogste soevereiniteit over de stad in de handen van God leggen en op een lagere trap van zeggenschap tot een bestuurlijke modus vivendi over Jeruzalem komen. Het is wellicht mogelijk dat een internationaal religieus forum, waarin de drie monotheïstische godsdiensten zijn vertegenwoordigd, zich uit naam van God met de hoogste soevereiniteit over Jeruzalem – en in het bijzonder over de oude stad met zijn talrijke heilige plaatsen – belast. Tegelijkertijd zou Jeruzalem de hoofdstad van Israel kunnen blijven en zouden de Palestijnen grote bestuursbevoegdheden kunnen krijgen over Palestijnse wijken in Oost-Jeruzalem. Wijken die bij herschikking van de grenzen van Jeruzalem volgens de voorstellen van Barak niet overgaan naar Al-Quds, de hoofdstad van de toekomstige Palestijnse staat.

Klein voorspelt dat nieuwe pogingen om de draad van Camp David weer op te pakken, zullen mislukken als Arafat zich niet weet los te maken van het negentiende-eeuwse concept van absolute Palestijnse soevereiniteit over Oost-Jeruzalem. ,,Ik weet dat het moeilijk voor hem is'', zegt Klein. Arafat is een revolutionair van de oude stempel. Voor hem zou het een groot offer zijn om, na zo'n lange strijd voor de Palestijnse rechten, zijn droom van Al-Quds (Oost-Jeruzalem) als exclusieve hoofdstad van de Palestijnse staat op te geven. Volgens Klein is na Camp David een nieuwe internationale situatie ontstaan, die Arafat geen andere keus biedt dan in Oost-Jeruzalem concessies te doen, wil hij een levensvatbare Palestijnse staat kunnen uitroepen.

De diplomatieke druk op Arafat is enorm, omdat zich volgens de Israelische onderzoeker in Camp David een ,,aardbeving heeft voorgedaan''. De belangrijke concessies die Barak over Jeruzalem aan Arafat heeft gedaan, hebben tot een diepgaande wijziging van het Amerikaanse standpunt inzake Jeruzalem geleid. ,,De internationale legitimiteit van het Palestijnse standpunt op basis van Veiligheidsraadresolutie 242 is van de baan. Na Camp David beschouwt Washington Oost-Jeruzalem niet langer als door Israel bezet gebied'', zegt Klein. Volgens de onderzoeker kwam Arafat naar Camp David in de overtuiging dat hij, met resolutie 242 van de Veiligheidsraad achter zich, heel Oost-Jeruzalem als hoofdstad van de Palestijnse staat kon opeisen. Toen hem duidelijk werd dat dit voor Barak volstrekt onaanvaardbaar was en president Bill Clinton naar het Israelische standpunt overhelde, liet Arafat de top in Camp David mislukken.

Klein zegt dat hij ook in de hoogste Palestijnse kringen wordt gewaardeerd als specialist van de zeer ingewikkelde problematiek in Jeruzalem. Zijn uit 1999 daterende boek `Duiven in de hemel van Jeruzalem' is volgens hem in Palestijnse kringen als een positieve bijdrage tot wederzijds begrip ontvangen. De opvattingen van dr. Klein over Jeruzalem lopen al jaren vooruit op de ,,fictie dat een verenigd Jeruzalem de hoofdstad van Israel is'', een fictie die door Barak in Camp David nu aan de kant is gezet.

,,De politieke grenzen van Jeruzalem stemmen niet overeen met de werkelijkheid'', zegt hij. Als bewijs voor deze opvatting voert dr. Klein aan dat de staat Israel de ontwikkeling van het geannexeerde stadsdeel Oost-Jeruzalem systematisch heeft tegengehouden. Hoewel de Palestijnse bevolking in het verenigde Jeruzalem (32 procent) wel kiesrecht heeft voor de gemeenteraad, zit er geen enkele Palestijnse vertegenwoordiger in het stadsbestuur. De opkomst van de Palestijnen bij de gemeenteraadsverkiezingen in Jeruzalem is laag. Sedert 1994 heeft het Palestijnse onderwijsprogramma het Jordaanse programma op de scholen in Oost-Jeruzalem vervangen. Op de naleving van de schoolplicht wordt wel toegezien in West-Jeruzalem, maar niet in het oostelijk stadsdeel. Gevolg is, aldus Klein, dat dertig procent van de Palestijnse kinderen die op school zouden moeten zitten werkt.

Klein omschrijft de burgemeester van Jeruzalem, Ehud Olmert van de Likkoedpartij, als een fanaat tot wie het nog niet is doorgedrongen dat de politieke begrenzing van Jeruzalem indruist tegen de werkelijkheid. ,,Er moet een Palestijnse gemeenteraad met effectieve bevoegdheden over de Palestijnse bevolking komen'', vindt Klein. Het niveau van de bevoegdheden van dit Palestijnse bestuurslichaam is nog een twistpunt tussen Israel en de Palestijnen.

In Camp David heeft Barak het Israelische taboe op de onaantastbaarheid van Jeruzalems grenzen gebroken. Klein zet uitvoerig uiteen dat de Israelische premier naar Camp David ging met voorstellen, die zowel het grondgebied van Jeruzalem als hoofdstad van Israel als het gebied van Al Quds (Oost-Jeruzalem) als hoofdstad van Palestina vergroten.

Minder zwaarwegend dan de status van Al Haram al-Sharif (de Tempelberg) zijn de toekomst van Palestijnse wijken in Oost-Jeruzalem en het recht op terugkeer van Palestijnse vluchtelingen. Toch zijn dat netelige problemen, die tijdens een mogelijke nieuwe top in Camp David zullen moeten worden opgelost. Klein is van mening dat Barak in zijn concessies aan de Palestijnen zover is gegaan, dat Arafat nu aan zet is. Dat de Palestijnse leider bij zijn wereldtournee weinig steun kreeg voor zijn plan om op 13 september de Palestijnse staat uit te roepen, weerspiegelt volgens Klein een nieuwe internationale realiteit met betrekking tot de Palestijnse kwestie.