Een tuin van woorden

De eerste Europeanen die een blik werd gegund op de fantastische plantenrijkdom in China, moeten zich gevoeld hebben zoals ik toen ik voor het eerst de kwekerij Florida in Boskoop betrad. Het was als bij toeval het paradijs binnenwandelen: al die planten, waarvan ik hier en daar de namen herkende en die ik allemaal wilde hebben – daar lagen ze voor het grijpen, of nou ja, kopen. Onze auto zag er uit als Birnam Wood in Macbeth, je kon door de planten haast niet naar buiten kijken en als je de achterbak opende veerde het deksel omhoog door de druk van het gebladerte. Het was als een moderne Wardian Case – die luchtdichte plantenkasjes die vroeger gebruikt werden om planten naar de andere kant van de wereld te vervoeren, als vastgesjorde dekpassagiers, waarschijnlijk door de bemanning bekeken zoals ik naar planten keek vóór ik een tuin had.

Soms kom ik nog wel eens een label van Florida tegen. Ik herinner mij duidelijk de eerste planten die ik daar kocht, op het gezag van twee tuinboeken die ik cadeau had gekregen: de Tuinplantenencyclopaedie van Rob Herwig en Better Gardening van Robin Lane Fox. Het wonderlijke, wanneer je je in iets nieuws stort, is hoe snel je een willekeurig boek aanvaardt als gezaghebbend. Ik had nooit eerder van Robin Lane Fox gehoord, nooit zijn columns in de Financial Times gelezen, en toch, vanaf het moment dat ik het boek opensloeg zou ik blindelings iedere door hem aanbevolen plant hebben gekocht.

Zijn boek bevat weinig illustraties en dus moest ik al lezend alles opzoeken in Herwig. Het was een periode van studie, alsof ik examen moest doen en iedere plant en alles er omheen binnen 24 uur moest kennen. Er was zo veel en ik wist zo weinig: ik maakte aantekeningen, tekende plattegronden van de tuin, verdeelde naar seizoen, kleur en hoogte, vergat telkens wat ik al had opgezocht, begon dan weer opnieuw en probeerde me voor te stellen hoe planten die ik nooit gezien had er uit zouden zien als ze bij elkaar stonden. Natuurlijk waren de door Lane Fox nogal selectief gekozen planten lang niet allemaal afgebeeld in Herwig; of als ze er waren leken ze opeens minder aantrekkelijk, of ze waren niet winterhard – iets dat ik als volkomen irrelevant beschouwde. Ik had er geen idee van dat het Britse klimaat zo kon verschillen van het Nederlandse.

Ook koos ik met blinde gehoorzaamheid de cultivars die Lane Fox aanried, letterlijk, alsof de plantennamen die hij gaf woordenboekdefinities waren. Zo verwierp ik zonder er ooit een gezien te hebben de gewone Geranium endressii, en moest ik met alle geweld `Wargrave Variety' of `A.T. Johnson' hebben, allebei favorieten van Lane Fox. Het had iets zonderlings om planten te weigeren met een vrijwel lege tuin.

Ongehinderd door enige praktische ervaring had ik een vrij uitgebreide abstracte kennis van planten, een hoofd zoemend van potjeslatijn en een visie, over de realiteit heengeprojecteerd, van de tuin zoals die moest worden, meer bestaande uit woorden dan uit beelden.

Het zou best kunnen dat op die leeftijd, ergens voorbij de dertig, tuinieren het enige nieuwe is dat je nog met een dergelijke geestdrift onderneemt. Het wonderlijkste van de drang tot tuinieren is de onverwachtheid: het komt nergens vandaan, uit het niets, en verandert iemand die volkomen tevreden in een flat in de stad woonde en nooit enige behoefte had gevoeld om zaad te zaaien of stekken te dibbelen, in een fanaticus – in één stap de overgang van wonen in de Hof van Eden tot het aanvaarden van de verantwoordelijkheid ervoor.

De bron ervan, heel simpel, is tuinbezitter worden. De mijne was (en is nog steeds) een tamelijk grote stadstuin, omgeven door muren, naast een kerk, en met een half dozijn bomen, dus beschermd tegen vorst maar wel donker. Toen we de tuin voor het eerst zagen geloofden we onze ogen niet: romantisch overgroeid, bemoste bakstenen, uitgezaaide vlier en esdoorn, een enkele oude roos. Het was er op de heetste dag koel en groen, een oase midden in de stad. De planten die er al stonden probeerden we te identificeren, de meest gangbare soorten sneeuwbes en viburnum, hulst en aucuba. Die waren dus niet goed. Exoten moesten we hebben, omringd door verfijnde vaste planten, afgezet met zeldzame bollen, niet die armzalige blauwe druifjes tussen het grind en de afzettingen van baksteen. In de eerste winter openbaarden zich massa's sneeuwklokjes die in dankbaarheid werden aanvaard.

Ik woelde de tuin om en verwijderde, als onderdeel van een verschroeideaardepolitiek, bijna alles behalve de fatsia. Het zag er vreselijk uit. Sommige plekken konden niet omgespit worden omdat ze doorweven waren met boomwortels – als je een spade in de grond wilde steken sprong hij terug alsof er van onderen tegen werd geschopt. Vervolgens namen we de lijst van Lane Fox en togen naar Boskoop.

Florida, ach, Florida dat niet meer bestaat; waar mijn dochter een keer haar teddybeer vergat, zodat we de volgende dag thuiskwamen met nog meer planten. Florida, waar ze alle gewassen op mijn lijst ook werkelijk hadden. In het begin had het iets van een practical joke: iets ontbrak, precies de juiste geraniums, anemonen, lamiums, campanula's – ik weet nog precies welke – en zelfs de grote prijs uit de loterij, `one of the best selections of this book': de Chinese heester Ceratostigma willmottianum. Lane Fox heeft een onweerstaanbaar verhaal over een droge vallei in westelijk China die elk najaar verlicht wordt, ongezien door enig mens, door het schitterende blauw van de ceratostigma: de grote E.H. Wilson ontdekte ze daar in 1908.

We sleepten alles mee naar huis, zetten het in de grond en wachtten af. Het beste ogenblik van de dag was de inspectie, iedere ochtend, om te zien hoe ze er bijstonden. Toen er in de zestiende eeuw in Amerika interessante nieuwe planten werden ontdekt, werden die beschreven in een boek genaamd Joyfulle Newes out of the Newe Founde Worlde – dat beschrijft het precies, zo voelde het.

Dit is de vijfde van zes afleveringen van `Herinnerde tuinen'. De vorige verschenen op 22 en 29 juli en 5 en 12 augustus.

    • Sarah Hart