Buideldieren en kannibalen

Tim Flannery was even in Nederland. Hij gaf een lezing aan de Leidse universiteit en vertrok weer. Het onderwerp van zijn lezing hield ongetwijfeld verband met Nieuw Guinea, en wel in het bijzonder met de zoogdieren van dit reusachtige tropische eiland. Hij is de auteur van het standaardwerk Mammals of New Guinea.

Ik had hem graag willen spreken over een ander boek, dat onlangs in Nederlandse vertaling verscheen, Gooi weg die been (dat is `pidgin' voor `op reis gaan'), maar hij kwam helaas tijd tekort.

In dit laatste boek vertelt hij op een aanstekelijke manier over zijn expedities in allerlei afgelegen gebieden van Papoea Nieuw Guinea en Papoea (zoals Irian Jaya tegenwoordig heet). Het verhaal gaat niet alleen over boomkangoeroes, koeskoezen en buidelmuizen, maar ook over toverij, koortsdromen, lintwormen, Papoea's en tropenkolder. Nu eens zien wij hem op een luchtbed een zijrivier van de Sepik afzakken, zich er niet van bewust dat het water levensgevaarlijke krokodillen verbergt. Dan weer legt hij zich te slapen met een babykoeskoes, wiens moeder door jagers is gedood. 's Nachts springt hij in paniek van zijn bed, niet beseffend dat de duivelse pijn in zijn penis te wijten is aan het bijtgrage diertje dat hij in een sok tegen zijn buik had gevleid.

Het begin van het boek is overigens traditioneel genoeg. Pas aangekomen in Port Moresby, schrikt Flannery van alle `bloedvlekken' op straat. Het beeld van een gewelddadige en criminele stad ziet hij meteen bevestigd. Zou deze Australiër ooit een stap in Indonesië hebben gezet, dan zou hij vertrouwd zijn geweest met het zogenaamde betelpruimen. Indien hij de Nederlandse taal had beheerst, dan zou het legendarische Onder de Kaja-Kaja's van Zuid Nieuw Guinea van H.J. Geurtjens ook uitsluitsel hebben geboden. In de jaren twintig en dertig amuseerde deze pater van het Heilig Hart zijn lezers met verhaaltjes over zijn `wildemansdorp'. Daar was het pruimen tot kunst verheven.

,,Al wat tot de soort mens behoort, pruimt'', stelde hij vast. ,,Met de pruim in den mond worden de mensen hier geboren en begraven. Als ze iets te zeggen hebben, staan ze daar te kokhalzen, en telkens denk je, daar schiet een gulp over den rand. Zwalpt iemand zijn pruim ergens uit, dan ligt daar een grillige rode koek, zoiets alsof een kasuaris daar even een kort oponthoud heeft gehad.''

In het centrale bergland schrikt Flannery nog harder. Niet alleen van de reusachtig opgezwollen borsten en scrotums van mensen die aan elefantiasis lijden, maar ook van de gruwelijke kannibalenverhalen die bij het kampvuur worden verteld. Nog niet zo lang geleden pleegden mannen roofovervallen op naburige dorpen. Bij het ochtendkrieken bestormden ze de hutten en doodden iedereen, op een handvol kinderen na. De lijken werden aan stukken gehakt en meegenomen. ,,De volgende dagen zou de gemeenschap goed te eten hebben.''

Liefhebbend kijkt een oude man naar zijn stiefzoon op die hij als jongetje had geroofd. Niet wetend dat hij tussen de afgehouwen ledematen van zijn echte ouders bungelde, viel hij dankzij de lichaamswarmte en de ritmische tred van zijn nieuwe vader in slaap. ,,Ik wist toen al dat mijn zoon een goed man zou worden'', mijmert hij. ,,Hij huilde niet, maar hij was zoet en stil terwijl ik hem droeg.'' Zijn stiefmoeder herinnert zich nog meer details: ,,We aten zijn Atbalmin-ouders op. Ze waren dik. Ze gaven me alle melk die ik nodig had om twee kinderen te voeden. Dankzij hen werd Oblankep groot en sterk.''

Flannery luistert en huivert. Tersluiks kijkt hij naar Oblankep die geniet van al die prachtige verhalen over de goede oude tijd.

Duidelijk is dat de antropoloog W. Arens, die in The Man-Eating Myth zijn schouders ophaalt over het kannibalisme van `natuurvolken', nooit in Nieuw Guinea bij een kampvuur heeft gezeten. In boeken over Melanesië en de Grote Oceaan wemelt het trouwens van de kannibalenverhalen. Aan de smaak van de zeelui zouden de inboorlingen kunnen vaststellen of die uit Engeland of Frankrijk afkomstig waren. Er waren kapiteins die, elke keer als ze een berucht kannibaleneiland voorbijvoeren, enkele kanonskogels tussen de klapperbomen lieten neerploffen.

De pose van de onverschrokken held is Tim Flannery vreemd. Met name de enorme spinnen, met achterlijven als druiven, jagen hem angst aan. Aangezien hij ook nog aan claustrofobie lijdt, is het voor hem een gruwel om onderzoek te doen in grotten. Toch treft hij juist daar een onbekend soort vleermuis aan, evenals de botten van reusachtige uitgestorven buideldieren.

Tim Flannery. Gooi weg die been. Atlas, ƒ49,90