Zondag in de Minahasa.

In optocht gaat de bevolking naar de kerk. De vrouwen en meisjes in lange rokken met kant en strikken, de mannen in het goede pak, het liedboek onder de arm. Nederland in de jaren vijftig. Even later klinkt het gezang door de stille straten en van alle kanten schallen de vermanende stemmen van de dominees.

Het lijkt of elke kampong zijn eigen kerk heeft. Gebouwen als paleizen, met transen en torens, van onder tot boven betegeld, alsof het om een wedstrijd gaat. Wie bouwt de hoogste toren?

Dit in groot contrast met de schoolgebouwen, die er met hun opgelapte zinken daken, kapotte deuren en ramen nogal verwaarloosd uit zien. Ooit waren het zendingsscholen met Westers gericht onderwijs, sindsdien lijkt er weinig aan veranderd. De kerkklokken zijn aanmerkelijk beter behuisd.

Nergens in Indonesië heeft de Nederlandse tijd zo duidelijk zijn sporen nagelaten als in de Minahasa, Noord-Sulawesi (Celebes). Opschriften als spanduk, bekleding, knalpot. Wasserij Paula. Huize Poso en op het kerkhof grafstenen met namen als Willem, Jantje, Aleda, Sartje en Wilemin. De mooiste is toch wel Ventje.

Het gebied werd wel Twapro genoemd, een afkorting van `Twaalfde Provincie'. Niet dat de relatie altijd probleemloos verliep, even buiten het dorp Tondano staat een beeldengroep ter herinnering aan de oorlog van 1807-1809. Maar hoe vreemd, de helden met hun grote hoeden en dikke jassen zien eruit als hun koloniale onderdrukkers. Toch zijn het Tondanezen. Zo ver ging die identificatie.

,,Bent u uit Nederland?'' Een oudere dame kijkt me onderzoekend aan. ,,Aan de wandel? Allenig? Oh neemt u mij niet kwalijk, ik zal mij even voorstellen. Mijn naam is Corrie van Boven. Vanwaar bent u als ik vragen mag?''

Even een praatje en dan verder. Opeens zie ik, half verscholen onder een stapel autobanden, een waruga. Een graf van voorouders. Dus toch iets authentieks zo midden in de kampong? Een man spreekt me aan: ,,Eddy Markus Mait, kepala desa.'' Hij wijst op de waruga: ,,Hier ligt mijn voorganger.''

,,Hukum tua'', lees ik hardop (oude rechter).

,,Zo heet dat hier. `Kepala desa' is Indonesisch. `Lurah' is Javaans, maar mij moeten ze weer `hukum tua' noemen. Nu is het refomasi.'' Hij trekt de autobanden opzij en vertelt verder. ,,Zo'n rotsblok werd door de overledene eigenhandig uitgehakt. Als de mensen voelden dat hun tijd was gekomen, begonnen ze meteen te hakken. Om maar op tijd klaar te zijn ging dat soms dag en nacht door. Na diens dood werd de overledene in zittende houding vastgebonden, drie keer om het huis gedragen en daarna in het uitgeholde rotsblok gezet, voorzien van gebruiksvoorwerpen, sieraden, goud en zilver voor onderweg.''

,,Niet te tillen'', zeg ik bewonderend en wijs op de sluitsteen. ,,Vroeger waren de mensen veel groter en sterker'', meent Eddy. Als bewijs laat hij me een ring zien, met een doorsnee van ruim 10 centimeter. ,,Die droegen ze toen om hun vinger.'' Met gemak schuif ik hem om mijn pols.

Of ik wil of niet, ik moet alle waruga's in de kampong zien. ,,Dat is geschiedenis, dat mag niet verloren gaan. Zo'n waruga is het schip waarmee de dode terugvaart naar het land van herkomst: Mongolia.''

Mongolia? Verrast kijk ik op. Zou het ruitervolk van de grote Djenghis Khan met zijn snelle paardjes zich in de Minahasa blijvend gevestigd hebben?

Terug via de pasar, zondag of niet, de markt gaat door. Varkenskoppen kijken me grijnzend aan. Zwart geblakerde honden, de pootjes stijf omhoog, liggen klaar voor de `rintek wuuk' (hachee hond) in de volksmond RW. Verder `lawa panggang' (geroosterde vleermuis) `tikus hutan goreng' (gebakken bosrat). Nee, dan toch maar liever `sop brenebon' (bruine bonensoep).

Tijd om naar huis te gaan. Er stopt een bemo, met moeite wurm ik me tussen de vrouwen met koopwaar in. Uit de tas naast mij steken twee hondenpootjes, mijn maag draait om en voor ik het weet sta ik weer buiten.

Even later zit ik in een `bendi' (open rijtuigje) in gestrekte draf rijden we het dorp uit. Het kleine paardje lijkt onvermoeibaar, vrolijk klepperen de hoeven op het asfalt. Zou het afstammen van een steppepaard? Ik kijk opzij, de koetsier heeft een uitgesproken Mongools uiterlijk.

Hij stelt zich voor: ,,Hendrik, Julius, Franciscus. Net als mijn opa. Die was bij het KNIL. `Antre!', (aantreden) brulde hij en dan moesten we in de houding staan. Rechtop. Voeten bij elkaar. `Namanya siapa!' (Wat is je naam?). Als het niet naar zijn zin was zei hij: `Hoperdom!' Wij waren allemaal bang voor hem.''

Hoofdschuddend haalt hij een flesje aqua tevoorschijn. Dorst? Gedienstig draait hij de dop eraf. ,,Hoperdom, wat betekent dat eigenlijk?'' Lafhartig haal ik mijn schouders op en zwijg in alle talen. ,,Hotsie!'', zegt Hendrik. ,,Dat zei opa ook altijd.''

's Avonds, met een bir bintang voor ons huisje, valt het licht uit. Listrik mati (dood). Opeens is het aardedonker, ik ga nog even zwemmen. Onder een inktzwarte hemel, bezaaid met miljoenen sterren, trek ik mijn baantjes tussen Grote Beer en Zuiderkruis en kom alsnog in een zondagse stemming.

    • Annie Makkink