Wie is Brigitte Bardot?

Film is op z'n mooist als echt en onecht onzichtbaar in elkaar overgaan. Godard begreep dat beter dan de gebroeders Lumière.

Op 28 december 1895 werd in het Grand Café aan de Boulevard des Capucines (het gebouw ligt wanneer je daar de metro uitkomt links van de Opera) door de gebroeders Louis en Auguste Lumière tegen betaling de eerste Europese film vertoond. De titel: De aankomst van een trein. Duur: nauwelijks twee minuten. Het was meteen de eerste documentaire. Aan de gefilmde gebeurtenis was niets gemanipuleerd. Het publiek vluchtte de verduisterde zaal uit, geschrokken van een uit een der wanden aanstormende trein. Geruststellend toegesproken en weer teruggekeerd naar de zitplaatsen, werd het filmpje nu, stom van verwondering, gadegeslagen. Men begreep het. Aandachtig keek men naar de mensen op het perron, hoe zij uitstapten, wie er instapten en naar wat zij bij zich hadden.

In het tweede filmpje zag het publiek zichzelf voor de tweede keer voor het eerst in beweging, nu aan het eind van een werkdag. Na Het uitgaan van de fabriek werd Het voeden van de baby vertoond, opnieuw nauwelijks twee minuten durend. Ditmaal was de camera binnenshuis voor een gedekte tafel geplaatst, waarachter de ouders in de mise-en-scène van het toeval om beurten het kind een hapje voorhielden. De projectie werd besloten met een gekkigheidje, dat was afgekeken van het variété. De tuinman gefopt – hoe iemand in conflict raakt met de tuinslang en zichzelf nat spuit – gaf aan dat aan de vertoning een einde was gekomen. Hij had, met inbegrip van de verwarring bij het publiek, niet meer dan een half uur geduurd.

Achteraf waren goedbeschouwd de meeste mogelijkheden, die tijdens de navolgende eeuw in de cinematografie zouden worden ontwikkeld, hier al door de gebroeders Lumière argeloos samengevat door een filmcamera neer te zetten op een plek waar iets stond te gebeuren. Het resultaat had hen echter zo teleurgesteld, dat ze de illusionist Georges Méliès, die hun uitvinding wilde kopen de deur wezen met de boodschap: ,,De cinematografie heeft geen toekomst''. Daarmee waren ze het nieuwe tijdperk, dat ze zojuist hadden betreden, meteen weer uitgestapt. Hun grafschrift zou bijna zeventig jaar later zijn rentree in de filmgeschiedenis maken, toen Jean-Luc Godard het als motto gebruikte in Le mépris (1963), waar de tekst met gepaste ironie in het gezichtsveld was geplaatst van Fritz Lang, Jack Palance, Brigitte Bardot en Michel Piccoli tijdens een scène die zich afspeelt in een projectieruimte.

De anekdote van het verhaal – met inbegrip van de bijbehorende dialogen – ben ik grotendeels vergeten, maar niet waar het Godard hier kennelijk om ging. Dat was het Grote Spel van licht en schaduw, waarheid en pseudo-waarheid, waarin drie generaties filmikonen eraan worden herinnerd hoe betrekkelijk, de complete filmhistorie incluis, ook hun eigen existentie moest worden beschouwd.

In die scène leek Godard zich opnieuw te betonen als de grootmeester van de tegenspraak. Had hij immers niet eerder beweerd: ,,Film is de waarheid, vierentwintig maal per seconde''? Tenzij alles wat is gefilmd enkel als een soort van waarheid kan worden gewogen.

Wie is Brigitte Bardot in Le mépris?

Camille Javal of de beroemde filmactrice Brigitte Bardot die Camille Javal speelt? (`Eau de Javal' betekent trouwens bleekwater).

In hoeverre is Fritz Lang, die zichzelf is als de cinematografische Golem die hij was, ook werkelijk zichzelf tussen de andere beroemde acteurs, die met hun stralende sterrenkoppen personages spelen van wie zij en wij nog nooit hebben gehoord? In Godards quasi-historische filmverhaal – formeel gesproken gaat Le mépris over pogingen om de Odyssee te verfilmen – zijn de fameuze spelers van dat moment de welbewust vergeten schroevendraaiers, een bijeengeharkte anomalie tegen de achtergrond van een werkelijke context: de filmgeschiedenis zelf.

Godards Les carabiniers (1962) gaat over oorlog. Hij had een onmogelijk budget, bijgevolg maar een leger van tien man, een oude tank en een kapotte vrachtauto, bijeen gebracht in het werkelijk bestaande decor van de Parijse banlieu, waar tijdens de opnamen in de verte alles zijn gewone gang gaat. De toeschouwer ziet en ervaart twee tijden. De ene is gespeeld, de andere is echt en het wordt aanschouwd in een en dezelfde blik. Het dubbeltafereel van echt en net-echt ontleent zijn ontroering aan het gebrekkige onderscheid ertussen.

Zoals in de wazigheid van de lagune, totdat je bemerkt dat je ziet door een floers van tranen. In Les carabiniers heeft Godard ook de scènes verstopt, waarin hij de Lumières terughaalt in de geschiedenis die zijzelf, nog voor het zover was, al terneergeslagen hadden verlaten. De hoofdpersoon vlucht na alle doorgestane ellende een bioscoop in en slaat van schrik zijn arm voor zijn gezicht wanneer er vanaf het witte doek een trein nadert.

In de zaal schrik je mee. Wat gebeurt daar, een parodie of een hommage?

Meer dan een knipoog naar cinefielen is het een betuiging van waarheidsliefde voor de geschiedenis van de cinema. De prachtige vergissingen, de idiote paradoxen, de onzin en dat ene briljante moment waarin film en werkelijkheid samensmelten.

    • Hans Keller