Waarom dat woord?

Praten over gedichten zou ze kapot kunnen maken. Maar je mag wel proberen om het onbenoembare zo dicht mogelijk te benaderen. Deze zomer sprak Marjoleine de Vos voor de tweede maal met zes dichters over één van hun gedichten.

Gerrit Krol heeft eens een eenvoudige maar doeltreffende definitie van een gedicht gegeven: een tekst waarbij niet de zetter maar de schrijver bepaalt hoe de regels op de pagina staan. Dat klinkt wat basaal, maar waar is het wel. Een dichter beslist waar de versregel ophoudt, omdat het ertoe doet wat er op een regel staat. Hij of zij brengt strofes aan in het gedicht, of juist niet, en na de laatste versregel komt er verder niets meer op de pagina. Het gedicht is een afgerond bouwseltje van taal.

Hoe een dichter over dichten denkt valt voor een deel op te maken uit zijn gedichten. Uit de vorm ervan en soms ook uit de inhoud. Er zijn nogal wat dichters die zich in hun gedichten hebben uitgelaten over het maken van een gedicht. Soms door middel van een beeld, zoals Gorters `Ik zat eens heel alleen te spelen/ op een gedachteharp' of Ida Gerhardts `Ik zet mijn verzen als een schelpdier aan'. Soms programmatisch, zoals Luceberts beroemde bewering `ik tracht op poëtische wijze (-) de ruimte van het volledig leven/ tot uitdrukking te brengen'. Soms ironisch, zoals Willem Wilmink die schreef dat de avonden er zijn `om over je kinderen/ een vers vol begrip te schrijven/ nu ze godzijdank naar bed zijn'. Jean Pierre Rawie zei daar onlangs over ,,Ik heb eigenlijk een hekel aan gedichten over het maken van poëzie. Dat vind ik net zoiets als wanneer je in een restaurant het recept opgediend krijgt in plaats van het eten.'' Toch was ook in zijn gedicht een regel ingeslopen die over het schrijven van poëzie ging. Dat gebeurt nogal eens. Dichters denken veel over gedichten en in hun gedichten zie je die gedachten dan vaak weer terug.

Er zijn mensen die vinden dat je niet te veel over gedichten moet praten. Dan maak je ze kapot, zeggen ze. Die mensen houden niet zo erg van interpreteren, ze geven de voorkeur aan het ongezegd bewaren van de gevoelens die een gedicht bij ze oproept. Wie, zoals ik, is opgevoed met `close reading' en geneigd is om gedichten te beschouwen als voorwerpen van taal, en niet als geheimzinnige emotieverwekkers (hoe emotionerend sommige gedichten ook zijn) denkt daar anders over. Bovendien blijft er altijd, hoe men ook interpreteert en analyseert, iets over dat niet gezegd kan worden, datgene wat Vestdijk `de glanzende kiemcel' noemde, een kern, een begin, `het wezen' misschien van het gedicht. Dat is onbenoembaar. Maar het is wel de moeite waard om zo dicht mogelijk bij dat onbenoembare te komen en niet meteen de moed al op te geven. Zoals het de moeite waard is om niet te denken: `hé, een vogel', maar `hé, een witte kwikstaart'. Wie meer benoemt, ziet ook meer en wie van plan is te gaan benoemen, let beter op. Die vindt het dan ook de moeite waard om goed te kijken hoe een gedicht er eigenlijk bij staat en zich af te vragen waarom dat zo is.

Op die laatste vraag valt vaak wel een antwoord te verzinnen, maar je kunt het ook eens aan de dichter gaan vragen. Waarom die regel zo afgebroken? Waarom dat woord gekozen? Waarom die witregel hier, waarom geen komma gebruikt, waarom iets opgeschreven dat tegenstrijdig is? Veel waarom-vragen. Maar ook hoe-vragen, omdat je eigenlijk het allerliefst zou willen weten: hoe gaat dat nu, een gedicht. Waar komt het vandaan, hoe wordt `iets' een gedicht (en wat is dat voor iets?) ? De gesprekken die ik met dichters heb gevoerd over een van hun gedichten zijn eigenlijk evenzovele pogingen om ze hun geheimen te ontfutselen.

Dat lukt nooit, niet omdat dichters per se willen zwijgen over wat ertoe doet, maar omdat bijna elke dichter benadrukt dat gedichten uiteindelijk uit iets voortkomen dat ze niet kennen en dat veel beslissingen niet zo bewust genomen worden. Willem Jan Otten zei vorig jaar: ,,Je bent als je schrijft een soort trein op een wisselstelsel, je had ook twintig andere rails kunnen kiezen, maar je gaat feilloos zo. Ik heb geen beslissing genomen over die regel. Ik heb hem laten staan omdat hij juist is.''

Hoe het precies toegaat, het schrijven van een gedicht, blijkt eigenlijk niemand te weten. Achteraf kan er over gerationaliseerd worden menig dichter benadrukt dan ook dat alles wat er gezegd wordt, achteraf gezegd wordt en dus reconstructie is, en zelfs falsificatie. Misschien is het praten over het maken van een gedicht in zekere zin te vergelijken met het praten over een droom: wie erover vertelt, brengt altijd meer samenhang aan dan er was, duidt beelden die vaag of dubbelzinnig waren, maakt iets dat woordeloos was tot iets in woorden. Ed Leeflang dichtte eens over het schrijven van een eerste regel: `en weet dat ik/ geworpen heb met ogen dicht'. En in het gedicht dat begint met de schelpdier-regel schrijft Ida Gerhardt `zij ontstaan uit stille kernen', en ook `een maatgang schrijft en schrijft'. Niet zijzelf, maar iets in haar. En Jean Pierre Rawie zei: ,,alsof je hand toch enigszins geleid wordt''.

Gedichten worden bovendien meer dan proza door muziek bepaald, door ritme, klank en iets wat menig dichter als `muzikaliteit' aanduidt. Dat blijkt voor vrijwel elke dichter een heel belangrijke factor te zijn. De muzikaliteit gebiedt soms om een woord in te voegen, zoals Martin Reints liet zien, en Jan Eijkelboom zei ronduit dat een gedicht `muziek moet zijn'. En beeld, zei hij erbij. Toch heeft iedere dichter een heel ander idee over wat muziek of muzikaliteit dan is. Een ritme dat de één horterig of saai vindt, bevalt de ander juist – veel gaat bij dichten intuïtief en wordt achteraf met een beroep op ritme of taalmuziek beredeneerd.

In zijn brochure Het schandaal van de poëzie schreef J.H. de Roder vorig jaar dat de niet betekenisdragende elementen in poëzie minstens zo belangrijk zijn als, zo niet belangrijker dan, de betekenisdragende. Ter ondersteuning haalde hij uitspraken aan van dichters uit deze serie gesprekken. Of die conclusie juist is weet ik niet, hoewel elke dichter ook de nadruk legt op wat het gedicht tot poëzie maakt, heb ik tot nu toe met niemand gesproken die niet ook veel aandacht besteedde aan wàt er staat. Zoals Kees Ouwens zei: ,,het is geen muziekpartituur, je hebt ook met betekenis te maken''.

Het blijkt eigenlijk niet goed mogelijk om over de techniek van een gedicht te praten, over al die waarom-vragen, zonder het ook over de betekenis te hebben. Daardoor kan het soms lijken of de dichters hun eigen gedicht moeten interpreteren. Dat is niet de bedoeling noch de vraag. Het gebeurt geregeld dat een dichter een mogelijke leeswijze niet gezien heeft, of niet bedoeld heeft en daarom niet gezien heeft, die er wel degelijk is. Dichters zijn niet per se de beste interpreten van hun werk, dat moet aan de lezers overgelaten worden, maar ze kunnen wel als niemand anders iets zeggen over die geheimzinnige `stille kernen' waaruit het gedicht is ontstaan, en vooral over wat ze doen als zich het poëtische `iets' aan ze opdringt.

    • Marjoleine de Vos