Spelen om de eer

LUGANO. In het Romantisch Parkhotel Villa Nizza in Lugano had ik mijzelf opgesloten om een hedendaagse Lof der Zotheid te schrijven. Maar het werk vlotte niet. Drie keer per dag ging ik in bad liggen, ik schoor mij vaker dan nodig was en 's avonds zat ik als eerste op het terras in afwachting van het diner dat in Villa Nizza tussen 7 en 8 geserveerd wordt. Uitsluitend voor hotelgasten.

Hoe meer ik over de zotheid nadacht, hoe meer het mij scheen dat alles al een eerbetoon aan de zotheid was en ik begon me af te vragen hoe een loflied moest klinken op iets dat net zo onoverwinnelijk leek als de dood.

In afwachting van mijn reisgezelschap had het hotel mij aan tafel gezet bij een familie uit Hamburg. Dit was hun zesde jaar in Lugano. Wat mij veel leek. Men zei dat Lugano ooit gebruist had, maar nu was die bruis bejaard geworden, net als de meeste toeristen. Het gezin bestond uit een vader, een moeder, en twee dochters. De een had borsten, de ander nog niet.

Zoals wel vaker gebeurt, hadden de leden van het gezin niets meer tegen elkaar te zeggen en daarom greep vooral de moeder iedere gelegenheid aan om het woord tot mij te richten. Of ik al met de kabelbaan naar Monte Brè was geweest, of ik van zwemmen hield, en toen ze merkten dat ik hele dagen op mijn kamer bleef, wat ik toch eigenlijk in Lugano deed.

Ik begon natuurlijk niet over de zotheid. Dat zou tot onnodige misverstanden leiden, en dit gezin had het zonder mij al moeilijk genoeg. Ik zei dat ik onderzoek deed naar de economische toestand in het Italiaanse gedeelte van Zwitserland. Ik was afgestudeerd econoom en werkte voor het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Even vroeg ik me af waarom het CBS geïnteresseerd zou zijn in het Italiaanse gedeelte van Zwitserland, maar dat soort overwegingen waren de familie uit Hamburg vreemd. Zij zagen hun idee bevestigd dat ik weliswaar een beetje zonderling was, maar toch een fatsoenlijke jongeman die goed Duits sprak.

De derde avond in Lugano aten wij kip. Er viel in Villa Nizza niets te kiezen en dat was maar goed ook. Je gaf je over, of niet.

Ik had een scheerwond op mijn kin en om dat te compenseren had ik een lichtblauw jasje aangetrokken, hoewel het daar eigenlijk te warm voor was.

Het verlangen naar roem is het verlangen naar een toestand waarin je niet meer voortdurend het gevoel hebt tekort te schieten.

Tijdens het voorgerecht (ham, meloen en drie grote stukken peterselie) hadden wij over scheerwonden gepraat en ook nog even over andere wonden. Toen de kip werd opgediend, zei de moeder uit Hamburg plotseling: ,,Wij hebben een familietraditie.''

Ze keek twijfelend naar haar man, alsof ze niet zeker wist of ze dit mel mocht vertellen. Ik sloeg mijn benen over elkaar, ik had een vleugeltje gekregen.

,,Wij houden in Lugano altijd een tafeltennistoernooi, en nu dachten we dat je het misschien leuk vindt mee te spelen, als je toch 's avonds niets te doen hebt.''

Ik wist niet zeker of ze dit uit medelijden zei of omdat mijn aanwezigheid een kalmerende invloed had op dit gezin. Wat ik wel zeker wist was dat de dochter zonder iets had dat haar zusje node miste. Sommige mensen zijn gemaakt om naar te kijken, anderen kunnen beter worden weggestopt in een kelder waar ze alleen uit worden gehaald als er een blinde voor de deur staat.

Borsten zijn een overschat fenomeen besefte ik in Lugano. Het gaat ook prima zonder. Verder dacht ik er ernstig over na de opdracht een hedendaagse Lof der Zotheid te schrijven terug te geven. Wat niet geheel zonder problemen was, want de helft van het voorschot was al uitbetaald. En niet alleen dat, er was van die helft ook niets meer over.

Het geeft me altijd een goed gevoel als geld weer op is, alsof je je bord hebt schoongelikt en je eindelijk van tafel mag.

,,Een tafeltennistoernooi'', zei ik en bekeek mijn kip waarop ook al grote stukken peterselie lagen. Ze hadden iets met peterselie in dit hotel.

,,Waar vindt het toernooi plaats?'' informeerde ik met die geveinsde onvoorwaardelijke interesse, waarmee ik in het verleden wel vaker mensen voor me had gewonnen.

De moeder wees naar de tuin achter het terras.

,,Vooral de kinderen zijn erg fanatiek'', zei de moeder.

Het kind met de borsten prikte in haar eten alsof het om dwangarbeid ging. De vader zei niets. Hij bemoeide zich nergens mee. Fysiek maakte hij nog deel uit van het gezin, maar geestelijk was hij al heel ergens anders.

,,Ik ben niet zo goed in pingpong'', zei ik en mijn informatie maakte duidelijk dat ik de uitnodiging aannam. Het jaarlijkse tafeltennistoernooi van deze familie zou dit jaar worden opgeluisterd met mijn aanwezigheid.

De gedachte dat het nooit meer goed met mij zou komen nam vaste vormen aan. Niet dat mijn leven was vastgelopen, hoewel, misschien ook dat, het was meer dat ik er steeds weer overheen scheerde. Als een helikopter die probeert te landen, maar de landing wordt al 30 jaar uitgesteld. Vanwege aanhoudende mist.

,,Je zult het leuk vinden'', zei de moeder met het enthousiasme waarmee mensen aan iets kunnen beginnen als ze niet hebben nagedacht over alles wat mis kan gaan.

Tijdens het dessert (twee bolletjes ijs met warme chocoladesaus) scholden enkele leden van het gezin elkaar uit in Hamburgs dialect. Over een klein kwartier zou het tafeltennistoernooi beginnen.

Ik kreeg een groen batje.

De moeder zei: ,,Even inspelen.''

Wij volgden haar als varkens die naar de slachtbank gaan.

Na vijf minuten vrij zinloos te hebben ingespeeld, zei ze: ,,We spelen om de eer.''

Haar pogingen te redden wat er te redden viel, werden ontroerend.

We begonnen met dubbelspel, zodat de vader zich terug kon trekken op zijn balkon.

Ik had ervoor gezorgd met het zusje zonder te spelen.

Ze mocht dan een kind zijn, haar walging was volwassen. Ze keurde alles af, inclusief zichzelf. Het was die onvoorwaardelijke afkeuring die mij aantrok.

Het spel maakte oude instincten in mij los. Ik wilde winnen.

De eerste set verloren we.

Als ik de vruchten van mijn jeugd wilde plukken, moest ik opschieten. De jeugd liep ten einde. De vruchten waren overrijp, voor zover ze niet beschimmeld en wel in een hotelkamer op mij lagen te wachten. Een hedendaagse Lof der Zotheid schrijven, dat was aardig, maar met het plukken van die vruchten had het weinig te maken.

De moeder moedigde me aan. ,,Je kan het best'', zei ze.

De tweede keer wonnen we, en ik raakte mijn partner even bij de schouder aan.

Hoe fanatieker ik werd, hoe nonchalanter zij begon te spelen. En mijn pogingen ballen te halen, maakte vooral gegiechel in haar los.

We verloren.

,,Morgen gaan we verder'', zei de moeder en in haar agenda noteerde ze de stand.

We gaven elkaar een hand. ,,Zo gaat het in het echt ook'', zei de moeder.

Ik keek mijn partner in de ogen, maar zij zei alleen: ,,We hebben thuis in de kelder een pingpongtafel.''

Op het balkon zat de vader. Hij was verwikkeld in een telefoongesprek. Hij droeg een zwembroek.

Het aanbod voor een laatste Schnaps sloeg ik af.

Ik ging in bed liggen en gaf het kussen een tongzoen, want ook verbeelding wordt roestig als je haar niet gebruikt.

Ik was weer terug. Dit waren de vruchten die ik wilde plukken. Elk kussen een andere naam, elk dekbed een andere navel. Ik was nooit echt weggeweest. Ik deed mijn nachthemd aan, even fladderde ik door de kamer, toen wierp ik mij op het bed en ik herinnerde me de woorden van de mevrouw uit New York: ,,Mode is onzekerheid die rijkdom is geworden.''

    • Arnon Grunberg