Op zoek naar ontregeling

De kunstenaars die eind 19de eeuw bijeenkwamen in Montmartre zijn vergeten, maar hun streven naar iets anders dan schoonheid was nieuw.

Ik was in Parijs geweest en de mensen die ik na thuiskomst tegenkwam vroegen enthousiast hoe ik het had gehad, hun gezichten lichtten op bij het uitspreken van de naam 'Parijs' alleen al, vandaar ook dat Parijs de lichtstad wordt genoemd. Wat kon ik zeggen? Dat vooral de gedachte aan een neutronenbom op Parijs me beviel?

Alle gebouwen zouden blijven staan maar de Parijzenaars zouden verdwenen zijn en met hen ook hun arrogante onbeschoftheid, die de arrogante symmetrieën van hun bouwkunst nog in formaat wist te overtreffen. Na het zoveelste incident, de gekneusde rib die een van agressie overborrelende ober me bezorgd had omdat hij vond dat ik in de weg stond, was mijn liefde voor de Parijzenaars verkild. Kouder geworden dan een sorbet. De liefde voor de stad, haar schoonheid, was gebleven. Talloos zijn de liefdesverklaringen van schrijvers aan Parijs. Balzac vond Parijs `een ware oceaan', geen slechte vergelijking voor een stad vol kwallen, al doelde hij vast op de immense huizenzee die Parijs is als je haar van een hoog punt aanschouwt. Flaubert, die mopperige walrus, achtte het een teken van decadentie wanneer iemand niet van Parijs hield. Voor mijn vertrek had ik deze citaten gelezen in de reisgidsen die ik bij de bibliotheek geleend had. Volgens alle gidsen oefende Parijs een grote aantrekkingskracht op buitenlanders uit. Stuk voor stuk prezen ze trouwhartig het Louvre aan en de Notre Dame, de eeuwoude Eiffeltoren en het prachtige uitzicht vanaf de bruggen over de Seine, het oeroude stadshart Île de la Cité, het vernieuwde Centre Pompidou en het, door de storm van vorig jaar gedeeltelijk vernielde, Bois de Boulogne. Met mijn vinger had ik over de plattegrond de routes gevolgd die me van de ene bezienswaardigheid naar de andere zouden brengen. Verlekkerd had ik de namen van de metrostations voorgeproefd: Châtelet-les Halles...Concorde...Madeleine... Pyramides....Jussieu... mijn reis was mompelend begonnen. Twee weken later was ik weer thuis en wilde iedereen weten hoe ik het had gehad. Wat kun je zeggen?

Mijn suggestie om een bom op Parijs te laten vallen leverde me geschokte reacties op. Voor sommige mensen was dagelijks taalgebruik blijkbaar niet iets om mee te jongleren. Je moest zeggen wat je bedoelde en niet zo overdrijven. Diezelfde week nog viel er een hyperbool bijna op Parijs, met meer dan honderd dooie Duitsers als resultaat. We leven in een wreed, absurd universum. De wanhoop die dat besef met zich mee kan brengen wordt in de moderne kunst al bijna een eeuwlang met humor bestreden. Na de Eerste Wereldoorlog door de Dadaïsten en de Surrealisten, decennia later door de Situationisten, de kunstenaars van de Fluxusbeweging, loslopende eenzaten als Marcel Broodthaers en René Daniels. In het Van Gogh museum in Amsterdam is deze zomer een tentoonstelling te zien die aantoont dat die dwarse houding al veel eerder, rond 1875, is ontstaan, in de rumoerige café's en cabarets van Montmartre waar schilders, dichters, schrijvers, zangers, beeldhouwers, illustrators, uitgevers, componisten en fotografen gewoon waren elkaar te ontmoeten, iets dronken, veel dronken, soms ook hasj rookten.

Opstandelingen

Een flinter geschiedenis: in 1870 had de Frans-Pruissische oorlog gewoed en was Parijs een ellendig koude winter lang belegerd voordat Frankrijk zich, met een diepe deuk in zijn eigenwaarde, overgaf. In ruil voor vrede moest het de Elzas en Oost-Lotharingen aan Duitsland afstaan, plus een enorm geldbedrag. Volgend op het Pruisisch beleg was in Parijs een opstand uitgebroken, de Commune van Parijs. Deze opstand werd door het Franse leger wreed neergeslagen. De rue de Rivoli, waar de meeste barricades opgeworpen waren, droop van het bloed van de opstandelingen.

Toen Manet in 1873, drie jaar na de oorlog, zijn Le Bon Bock op de jaarlijkse Salon tentoonstelde, een portret van een gezellige dikke bierdrinker, zagen velen in de afgebeelde man een Elzasser, een `verloren' landgenoot. Zo kreeg het schilderij een politieke lading die Manet niet had kunnen voorzien toen hij het doek schilderde. Op de Bon Bock-diners die vanaf 1875 maandelijks gehouden werden, hieven kunstenaars veelvuldig het bierglas (Bon Bock=een goeie pint) op de Elzas en Lotharingen. Ze waren ontgoocheld door de oorlog en het wrede optreden tegen de Communards, hun afkeer van het conservatisme van de machthebbers was groot.

Uit hun midden zouden andere kunstenaarsgroepen voortkomen. `Les Hydropathes' opgericht door Emile Goudeau en de `Incoherenten', een kunstenaarsgroep rond de jonge schrijver Jules Lévy. De naam `Hydropathes' was afgeleid van `hydrophobie', waterangst. De deelnemende kunstenaars beweerden ziek te worden wanneer ze water zouden drinken, vooral in café's. Goudeau was volgens hen door zijn naam voorbestemd om Hydropathie te krijgen (Goudeau=goût d'eau=waterliefhebber).

De Incoherenten hielden in 1882 een tentoonstelling in het appartement van Jules Lévy, waar naast professionele beeldend kunstenaars ook mensen aan meededen die nooit eerder een kunstwerk hadden gemaakt. Een danseres had een piepklein landschap op de zool van haar balletschoentje geschilderd. Er waren sculpturen van brood en kaas te zien en tekeningen die met de voet vervaardigd waren. En, voor zover bekend, het eerste monochrome schilderij ooit gemaakt, een pikzwart doek met de provocerende titel: `Vechtende negers, 's nachts in een kelder' door Paul Bilhaud. Deze kunstwerken lopen vooruit op de kunst van de twintigste eeuw maar lijken tegelijkertijd een vroegtijdige bespotting ervan.

De tentoonstelling, die vier uur duurde, werd druk bezocht, ondermeer door beroemde kunstenaars als Manet, Renoir en Pissarro.

Een Hydropaat, Alphonse Allais, borduurde later op Bilhauds idee door, in zijn serie monochrome schilderijen met opmerkelijk woeste titels, bijvoorbeeld een groen schilderij, waarop `jonge pooiers, groen als gras, liggend op hun buik in het gras, absinth drinken'. Absinth was een likeur met een kenmerkende, geelgroene kleur, die ook wel `de groene fee' genoemd werd omdat ze zoveel kunstenaars betoverde, Toulouse-Lautrec was één van hen. Hij overleed aan de gevolgen van deze betovering, slechts zevenendertig jaar oud.

Naast het maken van monochrome schilderijen componeerde Alphonse Allais ook nog een begrafenismars voor doven, die geen noten bevatte, uit louter stilte bestond. Zeventig jaar later pas zou de Amerikaanse componist John Cage iets soortgelijks doen in zijn 4'33 of silence. En lang voordat Marcel Duchamp in 1919 een snor en geheimzinnige initialen aan de Mona Lisa toevoegde (die woordspelig suggereren dat Mona geil is) en zo haar heilige glans wegnam, beeldde de hydropaat Sapeck haar al af met een pijp waaruit halo-achtige rookwolkjes opstegen, van de heilige kunst die in rook opgaat. Het zet de vermeende genialiteit van Duchamps ingreep (boekenkasten vol kunstexegese zijn erover geschreven) in een ander licht; de veilige halfschemer waarin een cafébezoeker een belegen grap doorvertelt.

Alles is al gedaan, maar blijkbaar door een ander dan je altijd gedacht hebt.

Intrigant

In 1881 opende de schrijver, performer en intrigant Rodolphe Salis het cabaret `Le chat noir' in Montmartre. Hij liet een piano in de zaak neerzetten om de dichters die hun werk voordroegen muzikaal te laten begeleiden, wat een groot succes werd. De gehele artistieke elite van Parijs kwam om naar deze chansons te luisteren. Snoeverig voorspelde hij dat de hele wereld Montmartre zou bezoeken en hij kreeg van de geschiedenis gelijk. Tegenwoordig drommen toeristen samen in de nauwe straatjes rond de Sacré Coeur, als moderne bedevaartgangers op zoek naar iets magisch dat daar allang verdwenen is. Ik weet dat, want ik was er en ik heb het niet gezien. Plekken houden geen herinneringen vast, dat doen mensen.

Het tijdschrift dat Salis met medewerking van Hydropaat Emile Goudeau uitgaf, en dat eveneens `Le chat noir' heette, was een opruiend blaadje waarin Salis de anarchie loofde en brutale grappen uithaalde. In april 1882 kondigt het Salis' plotselinge overlijden aan. De aanleiding voor zijn dood zou een zware depressie geweest zijn, veroorzaakt door Emile Zola die een idee voor een roman van Salis zou hebben gestolen, waarmee hij vervolgens groot succes had geboekt. Het verhaal was verzonnen, Salis nog springlevend.

Alexandre-Theophile Steinlen en Adolphe Willette publiceerden hun nu beroemde, stripachtige tekeningen in `Le chat noir', Salis gaf Adolphe Willette ook de opdracht een groot glas-in-lood raam te ontwerpen voor het cabaret, hij maakte er een pittig anti-semitisch statement van, met als titel `Het gouden kalf'. Er waren ondermeer een jood met een kist vol munten op te zien en een jodin die haar kind voor geld offert. Niet alleen joden, ook vrouwen werden in de kunst van Montmartre regelmatig als ziektekiemen geportretteerd.

`Le chat noir' sloot in 1897 zijn deuren, een maand voor de echte dood van Salis. Het in 1893 geopende `Les Quat'z'arts nam de rol van vooraanstaand cabaret artistique over. In 1901 zou Alfred Jarry er zijn beroemde stuk Ubu roi, over de vetzuchtige, strontvloekende koning Ubu die zijn ongebreidelde moordlust en bezitsdrang niet kan bedwingen vierenzestig avonden lang als marionettenspel opvoeren.

Geroezemoes

Op de tentoonstelling in het Van Gogh Museum zijn cafégeluiden te horen; tingeltangelgeroezemoes, er staat een echte vleugel, een hoogopgetaste stapel blankhouten stoelen. Op de vitrinetafels zijn glazen en flessen vastgekit. Deze attributen moeten waarschijnlijk leven toevoegen aan de tentoonstelling, maar benadrukken juist dat het leven verdwenen is. De glazen zijn leeg, achter de piano zit niemand, de opgestapelde stoelen geven aan dat het ver voorbij sluitingstijd is. Over een afstand van meer dan honderd jaar lijkt het gekrioel op Montmartre, van kunstenaars die druk bezig zijn tijdschriften op te richten, toneel- en muziekuitvoeringen te repeteren, feesten en diners en tentoonstellingen te organiseren dan heel ver weg. Voorbij, gedaan, passé. Voorgoed sluitingstijd. Er zijn ook geen grote namen, geen werkelijk uitzonderlijke kunstenaars uit de Hydropathes en de Incoherenten voortgekomen die de herinnering aan deze periode levend zouden kunnen houden. Toch is hun werk interessant om dat ze voor het eerst in de geschiedenis van de beeldende kunst niet op zoek gingen naar schoonheid, maar naar ontregeling. Ondermijning van het oude en de schok van het nieuwe. Termen die sindsdien tot de basistaal van elke zichzelf respecterende moderne kunstenaar zijn gaan horen, zo vaak herhaald, onnadenkend herkauwd, dat je ze nauwelijks meer kunt aanhoren, laat staan serieus nemen.

De roep om de terugkeer van schoonheid wordt de laatste jaren daarom ook steeds sterker. Alleen, dat kunstenaars meer dan een eeuw lang voor een tactiek van ontregeling gekozen hebben was niet zomaar. Het werd ze ingegeven door de afkeer van de hypocrisie, hebzucht en vernietiging die ze om zich heen zagen. Marlene Dumas zegt het in het zomernummer van de Opzij zo: ,,De drang naar volmaaktheid, smetteloosheid en gezondheid heeft schoonheid een bedenkelijke reputatie gegeven. Voor de nazi's waren de begrippen ordelijk, blank en sterk identiek aan schoonheid.'' Het opgeven van deze bezoedelde schoonheid is de prijs geweest die kunstenaars voor vernietiging betaalden, althans een aantal van hen. En ooit was het een dappere keuze, die de kunstenaars van Montmartre als eersten zouden maken, in een tijd dat dat volstrekt nieuw en ongehoord was.

Door het enorme commerciële succes van de cabarets had Montmartre een paar jaar voor de Eerste Wereldoorlog zou uitbreken als ontmoetingsplaats voor de avant-garde afgedaan. De intieme sfeer was weg, Montmartre was veranderd in een toeristische attractie. In Montparnasse, op de andere oever van de Seine, waren de ateliers goedkoper en de café's rustiger en goedkoper. Een nieuwe generatie schilders, dichters, schrijvers, zangers, beeldhouwers, illustrators, uitgevers, componisten en fotografen kwam voortaan bijeen in café's als de Dôme en de Rotonde aan de Boulevard Montparnasse om iets te drinken, of veel te drinken. De jonge, wanhopige schilder Amadeo Modigliani verkocht er zijn tekeningen voor een glas absinth.