Nieuw concept voor Jeruzalem

Na de historische conferentie van Jalta, waar Roosevelt, Churchill en Stalin in februari 1945 de militaire ondergang van Japan beraamden, maakte Roosevelt een uitstapje naar Egypte om zich daar persoonlijk te oriënteren over het conflict tussen de zionisten en de Arabieren in Palestina. Koning Feisal van Saoedi-Arabië bereidde hem een koud onthaal uit protest tegen de Amerikaanse steun aan de massale emigratie van Europese zionisten naar Palestina. De Arabische wereld, zo waarschuwde de koning, zou zich daar met hand en tand tegen verzetten.

Roosevelt ging niet op het protest in maar gaf uiting aan zijn verbazing over de felheid waarmee de koning hem bestookte. Wat had Saoedi-Arabië dan wel met Palestina te maken? Als de Amerikaanse president voor zijn propedeuse Midden-Oosten-kunde geslaagd zou zijn, had hij die vraag niet gesteld. De koning antwoordde dat hij de geestelijk leider was van de Wahhabis, de hoeders van de islamitische heiligdommen in Mekka en Medina. In die hoedanigheid was hij ook een woordvoerder van de Arabische wereld in haar strijd tegen het zionisme.

Een goede verstaander zou de portee van dat voorstel niet zijn ontgaan: de VS moest in zijn nieuwe rol van hoofdarbiter op het politieke wereldtoneel nog een paar honderd jaar achterstallige kennis van de wereldgeschiedenis inhalen. Maar die boodschap zou er lang over doen om in Washington aan te komen. Zelfs Henry Kissinger, van professie diplomatiek historicus, bekende in zijn memoires weinig van het Midden-Oosten te weten toen hij tot president Nixons rechterhand benoemd werd. Kissinger had toen nog nooit de Arabische wereld met eigen ogen gezien en hij was nagenoeg onbekend met de liturgie van de onderhandelingen in het Midden-Oosten. Kissinger leerde echter snel en werd een van de grootste Amerikaanse kenners van de politieke geschiedenis van het Midden-Oosten.

President Clinton zou het zover niet brengen, ofschoon die meer dan enige voorganger met de kwestie-Jeruzalem te maken zou krijgen. Clinton was voornamelijk aangewezen op de informatie van zijn adviseurs, al wist hij dat soms aardig te maskeren met een vroom vertoon van bijbelkennis. Ook Jimmy Carter was een groot bijbelkenner, maar wel een echte. Hij schreef er zelfs een serieus boek over maar uit dat boek blijkt geen bijzondere kennis van de Arabische wereld.

Het ligt in de reden dat ongelijke materiële kennis van de onderhandelaars over de kwestie-Jeruzalem van invloed is op de uitkomst van de vredesbesprekingen die aan dat thema zijn gewijd. Toch was het niet verbazingwekkend dat de kwestie-Jeruzalem in de vredesakkoorden van Oslo (1993) onopgelost bleef en `tot later' aangehouden moest worden. Het zou pas vreemd zijn geweest als de partijen in Oslo er wel uitgekomen waren. Sinds de dagen van Balfour is het immers nog niemand gelukt de kwestie tot een goed einde te brengen. Balfour zelf niet (zijn plan voor een staatkundige coëxistentie van joden en Arabieren in Palestina leed al voor de Tweede Wereldoorlog schipbreuk), Churchill niet, Attlee en Bevin niet, maar ook Roosevelt, Nixon, Ford, Carter en Clinton niet.

Het struikelblok was en is het feit dat Israel en de Palestijnen allebei aanspraak maken op de soevereiniteit over Jeruzalem en allebei Jeruzalem opeisen als hun hoofdstad.

Het spreekt vanzelf dat die claim onoverkomelijke obstakels vormen voor het vredesproces, maar als we mogen afgaan op de informele verklaringen die de laatste weken via de Amerikaanse en de Israelische pers zijn verspreid, dan lijken beide partijen toch aan te sturen op de een of andere vorm van compromis. De Israelische premier Barak heeft daar op Camp David al een paar vliegers over opgelaten, zij het dat de tekst van dat compromis nog niet is getraceerd. Volgens Likoed-partijleider Ariel Sharon heeft Barak daarmee in feite afstand gedaan van de Oude Stad, waarin zich de historische joodse heiligdommen zoals de Klaagmuur en de Tempelberg bevinden.

In elk geval kan uit de gematigde reacties van de Arabische delegatie worden opgemaakt dat Barak met een schikking over het beheer van Jeruzalem voor de dag is gekomen en bereid was (is) tot een deling van de soevereiniteit over Jeruzalem. Dat zou neerkomen op overdracht van het islamitische deel van Jeruzalem, waaronder de Arabische buitenwijken aan de Palestijnen in ruil voor de erkenning van het joodse deel van Jeruzalem als de hoofdstad van Israel. Volgens alle informele toedichtingen die op dat punt in dezelfde richting wijzen (maar voornamelijk uit Amerikaanse diplomatieke bron komen) zou Barak de Palestijnen zelfs een tunnel van de El-Aksa moskee hebben aageboden. Enige aanwijzing dat hij onder het joodse deel van Jeruzalem iets anders verstaat dan het huidige Jeruzalem en het joodse deel van de ommuurde oude stad zou willen prijsgeven, zoals Sharon op demagogische toon heeft beweerd, heeft Barak echter niet gegeven.

Intussen wordt een hervatting van de afgebroken onderhandelingen voorbereid en oefenen beide partijen zich in de dialectiek van het compromis. De Engelstalige website van het invloedrijke Israelische dagblad Haaretz heeft op 15 augustus vraaggesprekken met regeringsadviseurs gepubliceerd waaruit blijkt dat de Israelische premier voor het vraagstuk van het beheer van de heilige plaatsen op een variant studeert waarin de optimisten in de regering wel wat zien. In de kern gaat het om een nieuwe omschrijving van het begrip soevereiniteit waarin het wereldlijke gezag over de heilige plaatsen vervangen wordt door goddelijk gezag. Israeliërs en Palestijnen hoeven elkaar dan niet meer het gezag over de Tempelberg – bron van beider geschiedenis – te betwisten maar komen overeen dat die heilige plaatsen voortaan onder `de soevereiniteit van God' vallen. Als dat concept het haalt, is dat een trouvaille waarmee alle partijen het gezicht kunnen redden. Van een seculiere regering is dat geen slechte vondst.

    • Harry van Wijnen