Mooi wordt saai

De dichter censureert zichzelf met een piepje. Marjoleine de Vos sprak deze zomer met dichters over hun werk. In deze laatste aflevering: Astrid Lampe.

Astrid Lampe (1955) debuteerde drie jaar geleden met de bundel Rib die genomineerd werd voor de Buddingh'-prijs. Enkele weken geleden verscheen haar tweede, flink dikke bundel De sok weer aan, waarin zij grappig en uitbundig aan het dichten is op een manier die niet lijkt op de manier van wie dan ook.

Het gedicht begint zonder hoofdletter en eindigt zonder punt.

,,Wat ik een mooi beeld vind voor een gedicht is een dun plakje van iets – een muisje bijvoorbeeld – dat je onder de microscoop legt. Dat heet een coupe geloof ik. Je kunt op dat stukje het geheel aflezen. Je kijkt door een microscoop en je gaat alle fragmenten af, het is een doorsnede waarop alles leesbaar is. Het enige gevaar is dat je het muisje wel eens vergeet.''

In de eerste regel staat: `vat dit niet te persoonlijk op'. Wanneer is het `te' persoonlijk? En wie wordt hier aangesproken?

,,Het klinkt alsof je het tegen een heel goede bekende hebt. Zo spreken mensen elkaar aan, als ze al intiem zijn. Hier doet de dichter dat. Het lijkt of je een gesprek binnenvalt waarin een aantal dingen hoog hadden kunnen oplopen. Dat `te' – je mag het best persoonlijk opvatten, als lezer, dat moet zelfs, maar ook weer niet `te'.''

Meestal zegt men `je gaat eraan', in plaats van `je moet eraan'.

,,Zo geeft het meer het idee van dat iemand het pistool op de borst gezet krijgt. Je gaat dood, iedereen gaat dood, maar dat moment wordt meestal in de toekomst gelegd. Ik wil dat bijna naar het nu halen.''

Na de eerste regel gebruikt u meteen al een witregel. Sowieso is de strofe-opbouw heel grillig.

,,Die eerste witregel heeft te maken met suspense wat zal er volgen. Witregels hebben meestal te maken met de spanning inhouden of vasthouden. Daardoor ontstaat er later in het gedicht de behoefte om het ritme te laten vieren, dan mag een zin wel gewoon voluit erin. Het gedicht heeft mijn adem, en als de lezer erin meegaat wordt het ook zijn adem hoop ik.''

De lezer wordt eerst persoonlijk aangesproken met `je' en in de derde regel is het ineens `uw' mannen.

,,Het eerste `je' is bijna een slip of the tongue. Hier neem ik dat terug en plaats het gesprek op een ander, officiëler niveau. Ik wilde ook door `uw mannen' de indruk geven van manschappen of zoiets, een leger. Ik heb eerst het enkelvoud `man' overwogen, maar ik wilde het effect hebben van een grotere groep, een groter verband. En ook levert het zo een contrast op met die ene persoon die aangesproken wordt.''

De lezer krijgt een rol toebedeeld. Hij of zij is ineens iemand die kan beschikken over `mannen'.

,,Ja. Eerst is er een bedreiging met het pistool op de borst en dan komt er ook nog een beschuldiging achteraan: die mannen van u, die geven almaar dezelfde genen door. Daardoor is er geen ontsnappen meer aan, want de redding van de dood is om kindjes te maken, dan blijf je voortbestaan, maar daar worden hier ook beperkingen aan gesteld. Als het steeds dezelfde genen zijn dan degenereert het hele volk. Hoe kleiner de stam is hoe erger het wordt. Waar dierentuinen zo'n last van hebben.''

Je kunt ook blijven voortbestaan in gedichten.

,,De poëzie speelt hierin ook mee: als het steeds hetzelfde is wat de mensen mooi blijven vinden, dan blijft dat wel mooi, maar het wordt ook saai. Dan moet er toch eens iets anders komen.''

De volgende regel geeft u twee typografische signalen mee: een liggend streepje en een cursieve letter. Wat voor effect wilt u daarmee bereiken?

,,In die regel moet zowel de degeneratie – ze transpireren niet meer – als het gemak waarmee die mannen hun genen doorgeven duidelijk worden. Ik weet niet of het lukt wat ik daarmee bedoel, maar het heeft voor mij de toon van sensatie, roddel. Als mensen het over een kwaal van anderen hebben dan wordt dat vaak zo'n beetje achter een hand gezegd, dat zou je hieraan moeten zien. Ook door die drie puntjes aan het eind, het blijft hangen.''

Wie is hier eigenlijk aan het woord?

,,Dit is zoals mensen over elkaar kunnen praten, een zin die je toevallig opvangt. Soms hoor je zelf ook in je hoofd zo'n zinnetje er ineens doorheen schieten.''

In de volgende strofe is de dichter weer aan het woord.

,,Ja, die is hier bezig met het eigenlijke werk, het maken van een gedicht. In het begin was-ie aan het confronteren.''

Waarom staat de regel over de piep tussen haakjes?

,,Om die piep te benadrukken. Ik heb later nog overwogen om ergens in het gedicht `piep' te zetten, dat had dan moeten komen voor die gedachten die weer op orde zijn. Maar ik vind het zo toch spannender.''

Die piep is een vorm van zelfcensuur van de dichter?

,,Ja.''

Mikken en de code kraken is het werk van de dichter?

,,Ja, hij is daar vooral bezig om orde te scheppen. Alles wat je aan de orde stelt moet uiteindelijk leiden tot een goed gedicht. Wat er tot nu toe staat, dat is waar hij mee aan de gang wil. Voor hetzelfde geld had het Kosovo kunnen zijn, je kunt je overal druk over maken. Maar het zijn dichterlijke thema's – leven en dood. Nou, dan komt er uiteindelijk dat ene zinnetje `het waait vandaag flink'. Dat is de enige poëtische inval.

,,Er zit toch echt wel in wat mensen graag willen lezen – natuur enzo. Het is eigenlijk Roland Holst in een notendop. Het waait vandaag flink. Ik vind het wel mooi. Ik moet meteen denken aan al die mensen die heel onrustig worden van wind, terwijl het zo'n kalm, bijna geruststellend zinnetje is.''

U ironiseert hier het poëtische.

,,Ja. Ik wil de mensen daar tevreden stellen. Het is niet gemeen bedoeld, helemaal niet. Ik wil mensen er niet vanaf houden om van hevige natuurgedichten te houden, maar soms denk ik: het kan in één zinnetje gezegd worden. Hier kom ik anderen, maar ook mezelf tegemoet, want ik vind het wel een mooi zinnetje.''

Eigenlijk kan het gedicht hier dus wel ophouden.

,,Ik geef nog iets na. Als het een kop heeft moet het ook een staart hebben.''

Daar komt dan een vrijwel niet geversificeerde, wetenschappelijke zin. Waarom wilde u die hier hebben?

,,Het gedicht heeft een hoop onrust en dreiging, ik wilde hier nog geborgenheid geven. In de baarmoeder waait het niet. Ik vind het ook wel mooi dat eerst die mannen opgevoerd worden en dan hier vrouwelijke bescherming.'

Toch klinkt dit helemaal niet geruststellend.

,,Het gaat over conditionering. Je kunt er misschien niets aan doen dat je altijd voor het vertrouwde kiest, want dat is aangeboren. Dat mensen geconditioneerd zijn heeft ook te maken met die genen die steeds hetzelfde zijn. Daar klinkt het bijna als een verwijt, terwijl ik hier zeg: het is logisch dat het zo is.''

En dan heeft u het ook weer over poëzie.

,,Dat speelt voor mij altijd wel mee. Dit is een poging om iets te laten zien waar je ook door bekoord zou kunnen worden.''

Schrijft u daarom ook zulke ontraditionele gedichten, om juist los te breken van dat vertrouwde, geconditioneerde?

,,In ieder van ons zit al een sonnet verborgen, dat is een vorm die we zo goed kennen. Daarom ontwijk ik het rijm liever. Het is spannender om in de traditionele vormen te gaan snijden. Het is een beetje afgezaagd om over het laboratorium van de taal te spreken, maar het liefst zou ik echt een witte jas aantrekken en een bril opzetten en de mensen er doorheen leiden. Als proefdieren die er heel anders uitkomen dan ze erin zijn gegaan.''