Islam rukt niet op in Kirgizië

Kirgizië vecht tegen fundamentalistische infiltranten. Oezbekistan ook. Regeringen klagen over oprukkend islamitisch fanatisme. Maar ze hebben het probleem voor alles aan zichzelf te danken.

De leiders van de vijf Centraal-Aziatische republieken – Kazachstan, Turkmenistan, Kirgizië, Oezbekistan en Tadzjikistan – klagen al jaren over het gevaar van een oplevend islamitisch fundamentalisme, dat vanuit Afghanistan zou worden opgestookt. De rebellen die vorige en deze week Kirgizië zijn binnengedrongen en verwikkeld zijn in felle gevechten met het Kirgizische leger, zijn waarschijnlijk lid van de Islamitische Beweging van Oezbekistan (IMU). Deze IMU, die wordt gesteund door het Taliban-regime in Afghanistan, bestrijdt het regime van de Oezbeekse president Islam Karimov, maar is ook actief in de grensregio's van buurland Kirgizië.

Oezbekistan, Tadzjikistan en Turkmenistan grenzen aan Afghanistan. Van die drie landen hebben de eerste twee in de Afghaanse burgeroorlog jarenlang de Noordelijke Alliantie van de etnische Tadzjiek Ahmad Shah Masud gesteund in haar strijd tegen de Taliban. Voor die steun krijgen Oezbekistan en Tadzjikistan de rekening gepresenteerd sinds de Taliban de Noordelijke Alliantie zo goed als volledig heeft verslagen.

De leider van de IMU, Tahir Joeldasjev, het brein achter een goed voorbereide moordaanslag op president Karimov, waarbij begin vorig jaar 128 doden vielen (onder wie niet doelwit Karimov), bezit in het noorden van Afghanistan een trainingskamp voor islamitische rebellen uit diverse Centraal-Aziatische landen. Van daaruit worden die voor een guerrillastrijd naar vooral Kirgizië en Oezbekistan gesluisd. In augustus vorig jaar ontketende een andere IMU-leider, de Oezbeek Dzjoema Chodzjijev, alias Dzjoema Namangani, een veteraan uit de burgeroorlogen in Afghanistan en Tadzjikistan, in Kirgizië met achthonderd medestanders een guerrilla- en gijzelingsoorlog die bijna drie maanden duurde; een fors deel van het Kirgizische leger moest in actie komen om hen te verdrijven. Het terrein is gunstig voor een guerrillastrijd: Kirgizië bestaat voornamelijk uit moeilijk toegankelijk hooggebergte.

Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken voegde in mei de IMU toe aan de lijst van gevaarlijke terroristische organisaties. Volgens het State Department kan de IMU beschikken over enkele duizenden strijders. Doel van de fundamentalisten is de vestiging van een islamitische republiek.

Maar de voedingsbodem voor het islamitische fundamentalisme is in Kirgizië niet erg vruchtbaar. De Kirgiezen zijn moslims, maar ze zijn bepaald niet fanatiek en zelfs niet ijverig of vroom: de gebruiken en tradities zijn vooral bepaald door de nomadencultuur, eerder dan door de islam. Alleen in het zuiden, bij de steden Osj en Dzjalal Abad, is de islam sterker. Dat deel van Kirgizië omsluit de Oezbeekse Fergana-vallei, het oostelijke uiteinde van het kerngebied van de eeuwenoude bloeiende islamitische cultuur in Centraal-Azië dat in Boechara en Samarkand begint.

Wat voor Kirgizië geldt, geldt ook voor de andere landen in Centraal-Azië: nergens in de regio bestaat een natuurlijke voedingsbodem voor religieus fanatisme. Moslims eten er varkensvlees, drinken wodka en gaan nauwelijks naar de moskeeën die hun leiders (communisten die zich na 1991 haastig tot vrome moslims hebben bekeerd) hebben laten bouwen. Zelfs in Tadzjikistan, met zijn geschiedenis van gewapend islamitisch verzet tegen het regime van Rachmonov is nooit gepleit voor een islamitische staat, tenzij bij consensus, vreedzaam, geleidelijk en op de zeer lange termijn.

De voortdurende waarschuwingen van de presidenten van de vijf landen vormen dan ook voor alles een alibi voor hun repressieve beleid. De politieke teugels in alle Centraal-Aziatische republieken zijn de afgelopen jaren alleen maar verder aangehaald. Zelfs in Kirgizië, dat in de eerste helft van de jaren negentig nog gold als de enige democratie in de regio, heeft president Askar Akajev de democratie inmiddels goeddeels afgeschaft.

Het ontstaan van islamitische guerrillabewegingen is dan ook volgens veel waarnemers eerder een gevolg van politieke onderdrukking dan een resultaat van religieuze overtuiging of religieuze onvrede. Fundamentalisme, van nature afwezig, kan ontstaan en groeien als gevolg van de repressie (een vicieuze cirkel, of een self fulfilling prophecy, omdat die repressie wordt gelegitimeerd met het gevaar van groeiend fundamentalisme): politieke onderdrukking – in sommige van de Centraal-Aziatische landen meedogenloos – kan een radicale islam tot de symbolische vlaggendrager maken van de oppositie.

Die radicale islam kan bovendien een breed spectrum van opposanten verenigen die in normale, democratische omstandigheden verdeeld zouden blijven langs politieke, regionale, tribale, etnische en linguïstische lijnen.

Dat geldt in nog sterkere mate als de opposanten, of de meest radicalen onder hen, welkom zijn in Afghanistan, waar ze door het Taliban-regime worden gesteund, gefinancierd, opgeleid en aangemoedigd en waar ze verder radicaliseren. Na maanden of jaren keren ze vervolgens als strijders voor een religieus fundamentalisme terug en heeft Centraal-Azië plotseling ,,een probleem met de oprukkende islam''.

Niet zonder reden oordeelde gisteren de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) dat ,,democratische en economische hervormingen'' de beste manier vormen om het religieuze terrorisme van de IMU en aanverwante groepen in Centraal-Azië te bestrijden: een vrije politieke oppositie en een vrije pers vormen op langere termijn de beste wapens tegen gewapend verzet in een fundamentalistische verpakking. ,,Vooruitgang in het hervormingsproces, respect voor de rechten van de mens en een democratische rechtsstaat dragen bij tot de vorming van de voorwaarden waarin terrorisme en extremisme geen steun kunnen vinden'', aldus een OVSE-verklaring die gisteren werd uitgegeven.

    • Peter Michielsen