Het schrijversvak

Waarom bemoeit de wereldorganisatie van schrijvers, de PEN-club, zich niet méér met de arbeidsvoorwaarden van zijn leden op de werkvloer, vroeg ik me vorige week af. Terwijl het gemondialiseerde gereedschap geavanceerder wordt, nemen de beroepskwalen toe. Muisarm, RSI, schrijvers en dichters die horendol worden van de nieuwste strapatsen van Microsoft, stress, burnout. Wat doet de PEN?

In Nederland hoeft de PEN niets te doen. Dat wist ik toen nog niet, maar Nederlandse schrijvers hebben de Stichting Schrijven, met een mooi tijdschrift dat eens in de twee maanden verschijnt, ƒ9,95 per nummer kost, en Tijdschrift Schrijven heet. Ik kreeg een brief van de hoofdredacteur, Louis Stiller, en drie presentexemplaren. Het is een goed vaktijdschrift, voor mensen die schrijver zijn of dat willen worden. Zo heb je vaktijdschriften voor kenners van motorfietsen van vóór 1940. Ze weten alles van bandenspanning en hoe je de carburateur moet afstellen. Ook de kunst, of de vaardigheid van het schrijven hangt samen met de afstelling van de carburateur en de ontsteking. Je moet het weten, je moet het dus leren en daarna kun je van mening verschillen. Een tijdschrift dat dit soort zaken behandelt, is voor de vakman altijd interessant.

Toen las ik in de Volkskrant van woensdag een artikel van Louis Stiller waarin hij een lans breekt voor het onderwijs in het schrijven. Wie in de beeldende kunst wil, gaat naar de academie, wordt gesubsidieerd, krijgt van de gemeente misschien wel een culturele broedplaats, komt op een tentoonstelling, wordt vergelijkenderwijs vertroeteld als een Van Gogh in aantocht. Voor wie in de film of de televisie wil staat er een reusachtige, speciaal daarvoor gebouwde onderwijsinstelling. Maar `op een of andere manier', schrijft Stiller, `is er een onzichtbare, maar loeizware lobby in ons land aan het werk, die blijft volhouden dat je het als literair schrijver helemaal alleen moet doen. Hulp van buiten is uitgesloten. En bij voorbaat verdacht. De achterliggende gedachte lijkt te zijn dat de Nederlandse literatuur al goed genoeg is. Dat lees je bijvoorbeeld in het adviesrapport van de Raad voor Cultuur.' Stiller citeert: `In tegenstelling tot de situatie in de andere kunstdisciplines is de kwaliteit van de letteren in beginsel niet afhankelijk van het bestaan van een vakopleiding.'

Ja, nog afgezien van de ambtelijke kromtaal, is dat een raar advies. Iedereen die wil leren tekenen, kan leren tekenen. Dan zijn er twee mogelijkheden. Hij kan het zichzelf leren, zelf alle vaardigheden ontdekken die in de tekenkunst door de eeuwen heen zijn verzameld, en misschien heeft hij dan tegen het einde van zijn leven het perspectief en de kracht van licht en schaduw ontdekt. Of hij kan `op les' gaan, en dan heeft hij in één cursus zich dit begin van het vak eigen gemaakt. Daarna komt de grote vraag: hoeveel talent heeft hij, aanleg voor virtuositeit, oorspronkelijkheid, wat is zijn kijk op de wereld, de mensen met hun gewrochtsels, de natuur? Dan ontwikkelt de één zich tot Jan Steen, de ander tot Rembrandt van Rijn, om een paar neutrale voorbeelden te noemen. Allebei hebben ze als gezel het vak geleerd.

Schrijvers gaan naar de lagere school. Laten we hopen dat ze daar leren lezen en schrijven. Dan naar de volgende school. Laten we hopen dat ze daar iets van de literatuur leren. Er zijn er een paar die zo gelukkig zijn dat ze een leraar Nederlands treffen met een aanstekelijke manier van les geven. Ze leren, de literatuur te ontdekken. Een enkeling denkt: dat kan ik ook, op mijn manier. Die gaat zijn eigen gedichten maken, schrijft op zijn achttiende een roman. Tenzij hij Arthur Rimbaud heet, of Jacques Perk, wordt dat niets. Maar hij houdt vol. De anderen gaan voetballen, naar de disco, hij zit in zelfmarteling op zijn kamertje. Van stuntelen en struikelen gaat het naar een elegant bewegen, en dan komt het ogenblik waarop hij 's ochtends naar zijn werk van de vorige avond kijkt, en denkt: heb ik dit zelf geschreven? Daarmee is de eerste fase van een langdurig leren ten einde. Het kan zijn dat zo iemand definitief voor het schrijverschap kiest.

Volgens de Nederlandse traditie moet hij dan of naar de School voor de Journalistiek, of een kantoorbaantje nemen en een werkende vrouw, (bij zij een man, partner, vul zelf in), geen kinderen krijgen (indien wel, gebrek aan talent), zich op een zolderkamertje vestigen (mansarde) en de grondslag voor zijn oeuvre leggen. Neem een voorbeeld aan Campert, Claus, Mulisch, Nooteboom, Reve, zegt de Raad voor Cultuur. Die hebben het ook in hun eentje voor elkaar gebokst.

Vergeleken met andere kunsten heeft de Nederlandse literatuur heel lang in het verdomhoekje gestaan. Daar komt nu verandering in. Schrijvers kunnen even beroemd worden als alle andere kunstenaars, tot zegen van het volk en roem van de natie. Ze zijn de enigen die zichzelf het vak moeten leren. Trek daar, Raad voor Cultuur, uw conclusies uit. Of vindt u het geen vak?

    • H.J.A. Hofland