Het `oude Japan' gaat op de helling

Na tien jaar van economische stagnatie heeft het model dat van Japan een industriële grootmacht maakte afgedaan. De pijlers onder het vroegere succes zijn de zwaktes van nu.

Daar komt snel verandering in. In de ogen van veel ondernemers liggen de grootste mogelijkheden voor Japan in enkele vitale sectoren rond media en informatie- technologie.

Op de tentoonstelling Yumetech (droomtechnologie), begin deze maand in Tokio, stalen robots de show. Bij de stand van Sony hobbelen robothondjes onbeholpen rond. Peuters aaien de glimmend stalen `Aibo' als op een kinderboerderij. Bij het Institute for Industrial Science uit Tokio staat een robotromp met een vierkant hoofd waarin negen sensoren rood oplichten. Een grote mechanische arm reikt A-4tjes aan van het stapeltje papier dat kinderen aanwijzen. En even verderop is te zien hoe wetenschappers de jongste mensachtige robot van Honda (1,60 meter, 130 kilo) met vallen en opstaan hebben leren lopen.

Japans positie als wereldleider op het gebied van robots is ondanks een decennium van economische stagnatie onaangetast. De Japanse automatisering van productieprocessen is mondiaal nog steeds een voorbeeld. Des te opmerkelijker is het dat het land, in elk geval tot voor kort, zo achterbleef in een aangrenzend gebied: dat van de informatietechnologie. ,,Het werk in de fabrieken, dat van de blauwe boorden, verloopt in Japan redelijk efficiënt'', zegt Gerhard Fasol, algemeen directeur van het adviesbureau Eurotechnology in Tokio. ,,De inefficiëntie zit 'm in de witte boorden.''

Vreemd geld wisselen bij een Japanse bank bijvoorbeeld is een klein avontuur. Meerdere formulieren komen uit de kast, drie stempels zijn nodig en diverse werknemers zijn erbij betrokken. Een deel van de achterstand is ingelopen in de afgelopen twaalf maanden, maar het pc-gebruik in Japan is nog bescheiden in vergelijking met veel andere industriële landen.

De ingewikkelde Japanse taal, met twee fonetische alfabetten en duizenden `Chinese' karakters, was jaren een belemmerende factor. Operationeel manager Kazuoshi Hirao van cameraproducent Fuji laat zien hoe omslachtig het tikken van een Japanse brief in zijn werk gaat. De frase ,,in antwoord op uw schrijven'' moet eerst in klankschrift (katagana/ hiragana) worden opgetikt. Bij elke klank maakt Kazuoshi dan een selectie uit een handvol karakters. Die klinken eender, maar verschillen in betekenis. Frank Kelley, een ondernemer die aan zijn Japanse moeder en Amerikaanse vader een tweetalige opvoeding dankt, zegt: ,,Als ik een Engelstalige brief tik, denk en schrijf ik tegelijk. In het Japans kan ik dat niet.''

Mensen op straat in Tokio lijken weinig problemen te ondervinden. Met de telefoon in één hand en de duim als tikvinger schrijven en versturen ze e-mailberichten in de metro of lopend op straat. ,,Een mobiele telefoon is veel minder intimiderend dan het toetsenbord van een pc'', zegt Kelley. ,,Als je de pc kent, vind je het tikken van een bericht op een mobiele telefoon misschien omslachtig. Maar het is heel wat anders als je nooit een normaal toetsenbord hebt gebruikt.''

In zijn recente boek Can Japan Compete probeert Michael Porter te achterhalen waarom de concurrentiepositie van veel Japanse bedrijven de afgelopen jaren is verzwakt. Porter stelt vast dat Amerikaanse bedrijven, in tegenstelling tot veel Japanse, hun productiviteit hebben verbeterd met behulp van informatietechnologie, software, laptops, mobiele communicatie en internet.

Veel Japanse bedrijven hebben geprobeerd elkaar af te troeven op een afgebakend terrein: het maken van kwalitatief goede producten tegen lage kosten. Maar de Japanners hebben, in tegenstelling tot de Amerikanen, vaak niet durven kiezen: Japanse producenten van halfgeleiders en pc's bijvoorbeeld bedienen een veel breder scala van klanten en maken een breder palet van producten dan hun Amerikaanse concurrenten.

Tot slot bekritiseert Porter de aanpak van de Japanse overheid die achtereenvolgens steenkool (in de jaren '50), staal en scheepsbouw ('60), halfgeleiders ('70) en computers ('80) aanwees als speerpunt voor ontwikkeling van de Japanse economie. Hij constateert dat Japan mondiaal een sterke positie heeft in sectoren als robotfabricage en spelletjescomputers waar de overheid zich relatief terughoudend heeft opgesteld.

Maak een rondgang langs Japanse ondernemers en kritiek op de Japanse overheid is nooit ver weg. ,,De regering moet afslanken'', is het uitgangspunt van Keiji Tachikawa, bestuursvoorzitter van NTT Docomo, Japans grootste mobiele telefoonbedrijf. Met twee treffende voorbeelden illustreert hij de belemmeringen die voortvloeien uit de bemoeizucht van de overheid: ,,Neemt u de medische sector. Medische zorg moet in Japan geleverd worden in fysieke aanwezigheid van de patiënt. Dat belemmert toepassingen op afstand via mobiel of vast internet. Ook vergaderen via de pc wordt gefrustreerd. Voor een rechtsgeldig besluit is de aanwezigheid in persoon van bestuursleden vereist.''

Toch heeft de Japanse overheid in de telecommunicatie niet louter remmend opgetreden. Nog maar zeven jaar geleden was de mobiele telefoon in Japan een zeldzaamheid. Japanners gebruiken liever geen telefoon, was een gangbare wijsheid, het was onbeleefd en een teken dat je niet bereid was de moeite te nemen voor een persoonlijke ontmoeting. Mobiele telefoons waren niet te koop, maar te huur bij de mobiele operator, voor 150 dollar (345 gulden) per maand.

Pas toen het ministerie voor Post en Telecommunicatie de markt vrijgaf, kwam de groei op gang. In de jaren die volgden zou de Japanse overheid zich doen gelden met prijsmaatregelen en wetgeving die de vroegtijdige digitalisering van het mobiele netwerk mogelijk maakte. ,,Het heeft de sector in elk geval geen kwaad gedaan'', zegt Kelley van Japan Communications. Hij ziet ook de manier waarop de Japanse overheid licenties voor mobiele telefonie heeft verdeeld – zonder veiling – als voorbeeld van een verstandige politiek waarbij de overheid regels stelt zonder een veelbelovende sector te veel te belasten.

Na tien jaar van stagnatie heeft het model dat van Japan een industriële grootmacht heeft gemaakt, afgedaan. De analyse van Motohiro Ujihara, voormalig bestuurslid van Fuji, staat model voor die van veel van zijn Japanse collega-ondernemers. Hij zegt: ,,De pijlers onder het vroegere succes van de Japanse economie zijn de zwaktes van nu.'' Als voorbeelden noemt Ujihara levenslange dienstverbanden (life time employment), de groepen van nauw gelieerde Japanse ondernemingen (Keiretsu) en de positie van de banken. Verzekerd van het goedkope geld van miljoenen sparende Japanners financierden de financiële instellingen de expansie van vele Japanse ondernemingen. Maar niet altijd werd het kaf van het koren gescheiden.

Het `oude Japan' gaat op de helling, heet het. Langzaam aan, of met grote sprongen. ,,Wij willen een einde maken aan lifetime employment'', zegt Ujihara van Fuji. ,,Maar dat gaat stap voor stap doordat mensen met pensioen gaan.'' Een schoksgewijze verandering was deze zomer te zien met het faillissement van de warenhuisketen Sogo, meent bestuursvoorzitter Shinji Fukukawa van het Dentsu Human Resources Institute. Gevestigde namen in het bedrijfsleven zijn niet meer verzekerd van hun voortbestaan.

Door fusies van banken, die vaak de spil vormen in groepen Japanse ondernemingen, worden de dwarsverbanden van Keiretsu zwakker. Ook de investeringen van steeds meer buitenlandse ondernemingen brengen ingrijpende veranderingen. ,,Japanse bedrijven zoeken creatieve oplossingen die een paar jaar geleden onmogelijk waren geweest'', zegt Fukukawa van Dentsu. ,,Nissan heeft er voor gekozen samen te gaan met het Franse Renault. Ze vormen een sterke combinatie. Nissan heeft een enorme basis in research en is sterk op het gebied van schone technologie. De Fransen brengen hun goede ontwerpcapaciteiten in.''

Maar het zit Japan niet mee. Nu na lange jaren wachten de economische groei weer leek terug te komen,heeft de effectenbeurs weer een stevige klap moeten verwerken. Met tal van buitenlandse recepten wordt geprobeerd de economie vlot te trekken. Gezien het succes van de Amerikaanse economie is het niet meer dan logisch dat met argusogen wordt gekeken naar Angelsaksische leidraden als Shareholder Value of Silicon Valley.

Het laatste model oogst meer dan alleen passieve bewondering. Het equivalent van Silicon Valley is in Tokio Bit Valley gedoopt. Het Japanse computerblad Japan Inc. concludeerde in het meinummer dat Bit Valley moeilijk te localiseren is, omdat het jonge ondernemerschap rond internet eigenlijk in zo vele wijken van Tokio zichtbaar is.

Fasol van Eurotechnology is sceptisch: ,,Bit Valley is vooral een publiciteitsstunt'', zegt hij. ,,Ik ben naar een bijeenkomst van ze geweest. Drieduizend man in een disco. [Softbankoprichter] Masayoshi Son was er ook. Maar ik had niet het idee dat er serieuze zaken werden gedaan. Het is belangrijker dat er een plek is waar succesvolle ondernemingen naar toe gebracht kunnen worden. Nasdaq Japan en de concurrent Mothers van de beurs van Tokio. Dát telt.''

Mitsuma Murase is bestuursvoorzitter van Jafco, een dochter van effectenbank Nomura, gespecialiseerd in risico-investeringen. Hij zegt: ,,Wij kunnen het Amerikaanse model van Silicon Valley hier niet zomaar kopiëren. De verschillen in aanpak zijn te groot. Neem alleen al ons rechtssysteem. Het model van Silicon Valley wordt ondersteund door een enorme schare aan advocaten, die hebben wij hier niet zo veel. In Japan stapt men minder snel naar de rechter om conflicten op te lossen.'' En ondernemerschap? Dat is er in Japan altijd geweest, meent de Jafco-topman. ,,Kijk naar Sony en Honda, die zijn decennia geleden toch ook in een garage begonnen.''

Algemeen directeur Masa Moroki van risico-investeerder J-Seed wijst erop dat verschillende grote Japanse bedrijven omvangrijke fondsen hebben opgericht voor investeringen in jonge technologiebedrijven. Hij noemt Sony en Hitachi. ,,Maar ze weten niet hoe dit moet'', zegt hij. Als toppunt van onbenul noemt Moroki het investeringsbeleid van Hikari Tsushin, een bedrijf dat mobiele telefoons verkoopt en in problemen is geraakt: ,,De bestuursvoorzitter heeft gezegd dat hij zou investeren in elk bedrijf waarvan de naam begon met e-.''

Het kopiëren van buitenlandse voorbeelden heeft in Japan een lange geschiedenis. Frank Kelley van Japan Communications meent zelfs dat de economie tot staan is gebracht toen Japan zo ver was geëvolueerd dat het niet meer eenvoudig buitenlandse voorbeelden kon kopiëren, maar zelf met creatieve ideeën moest komen. ,,Japan heeft jarenlang de beschikking gehad over een wegenkaart voor zijn ontwikkeling'', zegt hij. ,,Vóór de industriële revolutie, maar ook vóór de komst van de auto en de computer. Met al die ontwikkelingen hoefden ze maar naar het buitenland te kijken om vijf jaar vooruit te zien. Het goede konden ze kopiëren.''

Na tien jaar van stilstand zijn er weer voldoende buitenlandse rolmodellen voorhanden. Maar moet Japan die wel volgen? Moet het land zich massaal bekeren tot de pc? Kelley meent dat met de mobiele telefoon, klein en overal te gebruiken, nog doelmatiger kan worden gewerkt dan met de pc.

De sterke punten van de Japanse economie komen niet altijd op een presenteerblaadje. Shinji Fukukawa van Dentsu merkt op dat life time employment niet louter nadelen heeft. Hij meent dat Japanse bedrijven zorgvuldig omspringen met belangrijke employés en dat deze aanpak gehandhaafd moet blijven. ,,Mensen zullen ook de komende jaren de sleutelfactor zijn voor een sterke economische ontwikkeling'', zegt hij. ,,Werknemers zijn voor een onderneming een belangrijk bezit. Je ziet dat Amerikaanse bedrijven net als Japanse proberen hun getalenteerde mensen te behagen en zo lang mogelijk binnenboord te houden.''

Nogal wat Japanners zien het fijnvertakte netwerk van winkels in het land als een erfenis die in de nieuwe economie van pas kan komen. In de straten van Tokio komt de wandelaar elke honderd meter een Seven Eleven, Lawson of AMPM tegen. Deze zogeheten convenience stores zijn altijd open en lijken sterk op elkaar met hun assortiment van voeding en populaire lectuur. ,,In het zuiden van Tokio, waar ik woon vind ik binnen vijfhonderd meter van mijn huis vijf convenience shops'', zegt Fukukawa van Dentsu. ,,Ze hebben het niet makkelijk.''

Maar voor het bezorgen van internetbestellingen kan de infrastructuur goed van pas komen. ,,Het afleveren van goederen is voor veel internetwinkels een probleem'' zegt Mitsuma Murase van Jafco. ,,Evenals de veiligheid van online betalingen. De convenience stores kunnen een oplossing bieden. Seven Eleven bijvoorbeeld heeft een licentie ingediend voor het aanbieden van financiële diensten.''

In de ogen van veel ondernemers liggen de grootste mogelijkheden voor Japan in enkele vitale sectoren rond media en informatietechnologie. Topmanager Enoki Kei-Ichi van Docomo zegt: ,,We hebben de mobiele telefonie, de videogames en de mangastrips. Dat zijn drie sectoren in de wereldmarkt waarop we trots mogen zijn. Ze vormen een krachtig cluster dat de hele Japanse economie moet leiden.''

Sony ziet in zijn nieuwste PlayStation een concurrent voor de hele computerindustrie. ,,Sony beweegt zich steeds verder af van de pure spelletjesmarkt'', zegt Kenichi Fukunaga van Sony Computer Entertainment. ,,Amusementssoorten als muziek, film en spelletjes groeien naar elkaar toe. We proberen het bedrijfsmodel van de videogame uit te breiden.''

Met een spectrum van activiteiten dat uiteenloopt van financiële diensten tot films heeft Sony hoog ingezet op de distributie van informatie via internet. Ondanks tien jaren van stagnatie zijn er dus nog altijd bedrijven in Japan die geen buitenlandse recepten kopiëren maar zèlf een eigenwijze strategie uitstippelen. Dat kan natuurlijk verkeerd aflopen. Maar er staan nieuwe eigenwijze ondernemers klaar.

Keni Yoshida is bestuursvoorzitter van een groep bedrijven die zich bezighoudt met spelletjes en computeranimatie. Twee ervan, Polygon Magic en het Institute of Network Technologies, willen volgend jaar naar de beurs. Yoshida verwacht dat de Japanse amusementsindustrie kan floreren als zij voortbouwt op sterke punten: ,,Kinderen groeien hier van jongsaf op met mangastrips en tekenfilms. Later gaan ze vaak zelf tekenen. Van daaruit is de stap naar het bedenken van karakters voor spelletjes of tekenfilms niet zo groot meer.''

Teken- en ontwerptalent is in Japan ruim aanwezig, zegt Yoshida. Voor elke vacature kan hij kiezen uit tweehonderd kandidaten. Buitenlandse voorbeelden navolgen? Het lijkt niet bij hem op te komen. Buitenlandse amusementsbedrijven hebben Japan weinig te leren. ,,De verschillen zijn te groot'', zegt Yoshida. ,,De meeste strips, games en tekenfilms in de VS staan dicht bij de realiteit. De tekenstijl is realistisch. Het Japanse amusement speelt zich vaak af in een virtuele wereld, in de ruimte of in cyberspace. Zo ver mogelijk van de realiteit. We hoeven van de Amerikanen niet te leren hoe we de lippen in een tekenfilm synchroon kunnen laten lopen met de uitgesproken tekst. Dat kunnen we al lang. Het interesseert Japanse tekenfilmmakers gewoon niets.''

    • Michiel van Nieuwstadt