`Het heldere licht perste mij tranen af'

Veel oude Nederlandse teksten zijn lang veronachtzaamd wegens hun niet-literaire karakter. Ze geven niettemin een zeer nauwkeurig en levendig beeld van het dagelijks leven in het verleden, en van de veelbezongen band met de eventiende- eeuws polderleven in een bundel en een maritieme bloemlezing.

Wat kan het iemand nu nog schelen dat in 1624 een schoolmeester na familiebezoek in Amsterdam geplaagd werd door pech onderweg? Zijn koets vloog in brand, een paard brak los, zijn broer brak een been en de voerman viel van de bok, waarna hij werd overreden. Wat doet het huwelijk ertoe van de linnennaaister Barbara Adriaens uit Brouwershaven, die zich voordeed als man en trouwde met een groenteventster? En waarom zou iemand willen weten dat omstreeks 1650 een vrouw in Amsterdam genezen werd van een pijnlijk stuitje?

Voor zijn bundel Ooggetuigen van de Gouden Eeuw heeft René van Stipriaan juist uit dit bonte en alledaagse historische materiaal een keuze gemaakt. Een eerste rechtvaardiging van die keus is dat het resultaat buitengewoon prettig te lezen is; de auteurs formuleerden nauwkeurig en de teksten zijn voor de bundel in modern Nederlands vertaald. Ze geven daarnaast een onverwacht en indringend inkijkje in het leven van mensen die verder geen enkele historische rol hebben gespeeld. Zulke trivialiteiten kunnen heel goed samengaan met `de grote geschiedenis'. Ze openen de ogen voor de alledaagsheid, het toeval en de kleinzieligheid van de grote actoren op het historisch toneel.

Maar `petite histoire' alleen is natuurlijk nog geen geschiedschrijving. Zulke teksten krijgen betekenis in een kader waarin ook de voorgeschiedenis en de afloop verduidelijkt worden; anders blijft het anekdotiek. Het is ontroerend om te lezen hoe de knecht van Johan van Oldenbarneveld zijn oude meester naar het schavot begeleidt. En hoe de bejaarde raadpensionaris vraagt of er nergens een kussen is, of een stoel, om op te knielen voor zijn hoofd zal rollen. Maar echt waardevol wordt zo'n fragment wanneer men de politieke context kent. Daaraan heeft de samensteller gedacht. Van Stipriaan verantwoordt zijn keuze in een voorwoord en geeft een schets van de politieke ontwikkelingen in de zeventiende eeuw, waardoor de teksten in een ruimer kader geplaatst worden.

Van Stipriaan selecteerde uit een ruime periode, van de feestelijke intocht in 1549 van koning Filips II in Antwerpen tot de dood in 1702 van stadhouder-koning Willem III na een val van zijn paard.

De ruim honderd teksten zijn chronologisch gerangschikt en bestrijken de zeventiende eeuw op twee niveaus: er zijn ooggetuigen van historische gebeurtenissen en er zijn min of meer toevallige flitsen uit het alledaagse leven. In de eerste categorie vallen evergreens die al eeuwen tot de canon behoren: de Spaanse belegering van Haarlem, Alkmaar en Leiden, de moord op Willem de Zwijger, de overwintering op Nova Zembla, de onthoofding van Johan van Oldenbarneveld, Piet Heins verovering van de Zilvervloot, de moord op de gebroeders De Witt. Op het andere niveau lezen we over gebeurtenissen die van geen enkel langdurig belang zijn geweest, maar die destijds ter plaatse stof tot dagen, zo niet jaren napraten hebben gegeven.

De term `reportages' uit de ondertitel doet modern aan. Er bestonden destijds weliswaar kranten, maar die bevatten politiek en commercieel nieuws en geen reportages. Wel verdienden drukkers een goede boterham met pamfletten en nieuwsprenten, waarin actuele gebeurtenissen beschreven of verbeeld werden en die een breed publiek bereikten. Veel van de teksten zouden door hun directe en informatieve stijl in een hedendaagse krant niet misstaan.

Sensatie

De fragmenten behandelen vrijwel allemaal een sensationeel onderwerp: ketterverbrandingen, schipbreuk, belegeringen en zeeslagen. Dat drama wordt voor de moderne lezer des te sterker, omdat de auteurs nu juist geen literaire schrijvers waren, en niet volgens de regels der kunst toneel of lofdichten hebben gecomponeerd. Hier geen pathetiek of geleerdenproza vol verwijzingen naar klassieke auteurs. Hier komt het drama naar voren in een beklemmende soberheid, zonder literair vakmanschap of krullentrekkerij van goedbedoelende amateurs.

Neem het verslag van de rector van de Latijnse school te Naarden, de priester Lambertus Hortensius. Hij maakte het Spaanse beleg van de stad mee en de massale moordpartijen die daar in december 1572 op volgden. Nadat hij alle gruwelen tot in detail heeft beschreven en een verslag van zijn vlucht heeft gegeven, besluit hij zijn relaas aldus: `Evenmin als de vorige, kon ik deze nacht slapen. Het was donker en de maan scheen niet. Het heldere licht der vlam die in de verte nog uit de stad opsteeg, deed mij sidderen van angst en perste mij tranen af.'

Van Stipriaan leidt elke tekst kort in. Er is een verklarende woordenlijst, die wel iets uitvoeriger had gekund. Wie weet nog wat een `schalmei' is of wat de `willen' van een boot zijn? Achterin het boek worden biografische gegevens over alle ooggetuigen vermeld en staat een opgave van de vindplaatsen der teksten. Deze geslaagde bloemlezing drukt de lezer met zijn neus dicht op vlees en bloed, modder en water van de zeventiende eeuw en maakt duidelijk hoeveel niet-literaire teksten nog steeds de moeite waard zijn.

Van de honderd teksten die Van Stipriaan heeft gekozen, handelen vijfentwintigover de zee, dat wil zeggen over zeeslagen en belevenissen buiten Europa. Deze hoge score is niet vreemd. De Nederlanders volgden het oorlogsnieuws op de voet en waren nieuwsgierig naar informatie over gebieden buiten Europa, waar de Nederlanders handel op dreven of handelsposten hadden gevestigd. Zo lezen we, behalve over Nova Zembla, ook over de tocht van Olivier van Noort om de wereld, de verwoesting van Jacatra en de stichting van Batavia, en over de minder fraaie staaltjes vaderlandse geschiedenis: de moordpartij na de stranding van het VOC-schip Batavia voor de kust van Australië, de vriesdood van walvisjagers op Spitsbergen, die bij wijze van experiment daar een winter zouden overblijven, en het ongelukkige verblijf van de melancholische dichter Willem van Focquenbroch op de Goudkust.

Goa

Ook uit het Itinerario van Jan Huygen van Linschoten is een fragment opgenomen. Terecht. Van Linschoten is de aartsvader van het Nederlandse reisgeschrift. Als adolescent was hij in 1579 naar Spanje getrokken om zich te bekwamen in de handel. Na enige tijd trad hij in dienst bij de aartsbisschop van Goa, reisde met hem naar India en verbleef uiteindelijk twaalf jaar in de Oost. Tijdens zijn terugreis werkte hij aan een omvangrijke tekst waarin hij zowel de zeeroute naar Azië beschreef als grote delen van Azië. Zijn boek, het Reys-gheschrift verscheen in 1595, het Itinerario een jaar later.

Van Linschotens informatie speelde een nuttige rol bij de eerste Nederlandse vloot die succesvol om Kaap de Goede Hoop naar Azië zeilde. Zijn boeken werden een succes, beleefden herdrukken en vertalingen en dienden enkele decennia als gids op schepen naar de Oost. Belangrijker nog was de encyclopedische waarde: minstens een eeuw heeft het Itinerario als naslagwerk gediend voor latere auteurs over delen van Azië. Wie iets over Maleiers of Chinezen wilde weten, over de mango of de paradijsvogel, wie zich afvroeg welke producten op Bantam of Malakka werden verhandeld, die sloeg Van Linschoten erop na.

Het Itinerario bevat prenten van landschappen, van etnische typen en van bomen en vruchten. Het zijn vrij stijve, gedetailleerde gravures die deels teruggaan op tekeningen die Van Linschoten zelf moet hebben gemaakt. Ze worden omschreven als `conterfeytsels naer 't leven'. Hij wilde daarmee zeggen dat hij zelf heeft gezien wat hij afbeeldde.

De prenten met etnische typen werden in 1604 apart uitgegeven bij de belangrijkste Amsterdamse uitgever van die tijd, Cornelis Claesz. Van die serie, getiteld Icones et habitus Indorum zijn er nog maar drie bekend,die geen van alle compleet zijn. De historicus Ernst van den Boogaart heeft in Het verheven en verdorven Azië deze serie als eerste uitvoerig onderzocht. Zijn boek, de afbeeldingen, en de tentoonstelling hierover in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek (tot 2 september) zijn de moeite waard, omdat dit ongeveer de eerste visuele informatie over Azië is van de hand van een Nederlandse ooggetuige.

De serie bestaat uit zesentwintig prenten van Aziatische volken en vier van oosterse gewassen. Bij elke afbeelding staat een Latijns bijschrift, afkomstig uit het Itinerario. Van den Boogaart stelt met de nodige voorzichtigheid dat de serie een boodschap uitdraagt over de beschavingsorde van de verschillende afgebeelde volken. Door minutieus voorstellingen en tekst te interpreteren en met elkaar in verband te brengen komt hij tot de conclusie, dat hier een soort etnische hiërarchie wordt gepresenteerd, die aansloot bij in Europa heersende denkbeelden over de invloed van het klimaat op het karakter. De bevolking van noordelijker landen zou verstandiger en beheerster zijn dan die van zuidelijke gebieden, die door het tropische klimaat geneigd zouden zijn tot luiheid en wellust. Europeanen bezaten natuurlijk goede eigenschappen en Chinezen waren scherpzinnig, vreedzaam en beschaafd. Bewoners van Goa en omgeving, die Van Linschoten van zeer nabij heeft meegemaakt, komen er al slechter van af en de nog zuidelijker, schaars geklede Malabaren kennen een nog veel lager beschavingsniveau.

Het belang van deze serie is nooit eerder onderkend en de inleiding bevat in al zijn gedetailleerdheid veel informatie over de wijze waarop de Europeanen naar niet-Europese mensen keken. Van Linschoten heeft een monument geschapen. Zijn boek betekende het startschot voor een gestage stroom boeken over reizen naar de Oost en de West. Het was voor uitgevers al snel duidelijk dat er een lezersmarkt voor bestond. Voortaan stonden zij bij wijze van spreken al op de rede de teruggekeerde schepen op te wachten om van de meest taalvaardige opvarenden een verslag van de reis op te tekenen. Twee jaar nadat het Itinerario verscheen, kwam bij dezelfde uitgever ook het boekje van Gerrit de Veer uit over de overwintering op Nova Zembla. Nog steeds een ijzersterke tekst, twee jaar geleden heruitgegeven. Het is niet toevallig dat er een stuk van overgenomen is zowel in Ooggetuigen van de Gouden Eeuw als in het zojuist verschenen Bij tij en ontij, een bundel met Nederlandse zeeverhalen.

Kapitein Walrus

De ondertitel van deze bundel meldt dat men hier vierhonderd jaar zeeverhalen krijgt opgediend, maar in strikte zin dekt de vlag de lading niet echt. Uit de zeventiende eeuw zijn vier fragmenten opgenomen, uit de achttiende en de negentiende eeuw elk twee en uit de twintigste eeuw zevenendertig. Dat is geen representatieve en ook geen terechte verdeling, omdat in de twintigste eeuw het belang van de zee voor de Nederlandse scheepvaart nu eenmaal is afgenomen.

Voor zover ik weet is er nooit een mentaliteitshistorische studie verschenen over de invloed van de zee op de Nederlanders. Terwijl toch die zee in taal, literatuur en historisch bewustzijn alomtegenwoordig is. Hoe werkt dat door op de hersenen van deze moerasbewoners? Zijn ze gevormd door de zee of vormen zij de zee juist naar hun beeld? Met Tij en ontij in de hand valt een verdeling te maken tussen `werkers van de zee' (zeelieden, walvisvaarders, vissers, dijkwachten, rijswerkers en droogmalers), passagiers op zee en romanciers.

De beroeps zijn mannen van weinig woorden, praktisch ingesteld en zelden uitbundig; door de eeuwen heen vormen zij het prototype van de knoestige eenling met een groot geheim, bewonderd en gevreesd door zijn ondergeschikten, een lijn die van Willem Barentsz regelrecht doorloopt naar kapitein Walrus. Onderaan de scheepshiërarchie bungelen de jongmaatjes: de ene keer zijn dat Paddeltje en zijn kornuiten (Johan Fabricius), de andere keer Ketelbinkie (Antony van Kampen) of het bramzijgertje (Jan de Hartog).

Dan hebben we de passagiers. Voor hen is een schip een vervoermiddel waaraan ze lang gekluisterd zijn. Zij voeren geen strijd met de elementen, maar tegen de verveling. Zoals de gezusters Lammens, die in 1736 als geprivilegieerde passagiers van Vlissingen naar Batavia zeilden en een geestig verslag van hun reis hebben nagelaten. Verveling komt men ook tegen bij Du Perron. In zijn Scheepsjournaal van Arthur Ducroo vergelijkt hij de ellende van het leven aan boord van zijn schip naar Indië met het leven in een familiepension waar iedereen te veel vrije tijd heeft. Een uitzondering is Louis Couperus die in 1921 in opdracht van de Haagse Post een reis naar de Oost maakte. Die heeft het zo druk met ontbijten, zich omkleden, causeren met het personeel en met het neerschrijven van zijn zelfingenomen gezwatel dat er geen tijd voor verveling overblijft.

Dan hebben we de literatoren. Tot diep in de negentiende eeuw is de zee of de zeevaart geen onderwerp voor een roman, maar de ingrediënten liggen al lang voor het oprapen. Een van de thema's is het maritiem nationalisme. Dat is al te vinden bij de verslagen van de vlootacties van Michiel de Ruyter. Een ander thema is het ontzag voor het natuurgeweld. We hebben de bevindingen van de zeelieden, in de oude journaals zakelijk en functioneel genoteerd, later in romans vooral beschreven in psychologische termen. Dan lezen we over heimwee en wrok en over een peilloos verdriet dat de zeebonk achter zijn snor moet verbijten. In Tij en ontij ontmoet de lezer ook nog eens alle literaire stijlen. Je vindt er de impressionist, de estheet, de expressionist, de sociaal bewogen auteur (Heijermans met zijn Op hoop van zegen) en de naturalist, die denkt dat door maar genoeg scheepstermen te noemen als `presseling', `holsblok' of `marssel', het zeewater de lezer vanzelf de mond inloopt.

Van al die teksten bevallen de oudste nog het best, omdat ze trefzeker zijn en omdat de hoofdpersonen zo kwetsbaar waren ten opzichte van de zee. De precisie van het woordgebruik behoedt deze teksten bovendien voor gedateerdheid en dat kan je van menig romantekst niet zeggen. Enkele twintigste-eeuwers die in een soort geladen realisme schrijven, blijven de moeite waar: de verslagen van de arts A. Melchior met name, door de nuchtere indringendheid waarmee hij het drabbig walvisbedrijf beschrijft. Andere geslaagde representanten van het Nederlands maritiem proza zijn Jan de Hartog, Jan Gerhard Toonder en Marten Toonder Sr. De laatste met een indrukwekkend verslag van een storm die hij in 1917 op de Atlantische Oceaan meemaakte.

Floepen

En zo biedt deze bundel een panorama van Nederlands zeegeschrijf, al is het een onevenwichtig panorama. Maar er is een ander bezwaar: de gemakzucht waarmee deze bundel in elkaar is gezet. De samenstelster zal met enthousiasme haar keuze hebben gemaakt, maar het schort aan de `bezorging'. Ten eerste had men voor elk fragment de auteur moeten introduceren en het fragment in de context van het werk moeten plaatsen. Nu krijgt de lezer alleen achterin wat biografische informatie. Ten tweede heeft men, anders dan Van Stipriaan, niet consequent gekozen voor of de oorspronkelijke taal of voor modern Nederlands. Alle teksten zijn gewoon overgenomen uit bestaande edities, de ene keer lezen we dus Oudnederlands uit een bronnenuitgave, de andere keer uit een hertaalde editie. Wanneer men kiest voor oude teksten en men mikt tegelijk op een breed publiek, hoort de uitgever onduidelijke termen of passages te verklaren. Men heeft die moeite niet genomen, behalve in de gevallen dat in de gebruikte editie noten stonden; die zijn dan ook klakkeloos gekopiëerd.

Nog een laatste punt van kritiek: het lijkt erop dat de samenstelster kopieën van de gevonden passages aan de uitgever heeft gestuurd, die deze vervolgens heeft gescand. Die gemakzuchtige gang van zaken blijkt uit het dagboek van de Amelandse walvisvaarder Hidde Dirks Kat. Een aardige en weinig bekende tekst, die terecht is opgenomen. Nu gebruikte men in die tijd van uitgave (1818) een lettertype waarbij de letter `f' nauwelijks te onderscheiden is van de letter `s'. Dat een scanner dat verschil niet ziet, kan ik me voorstellen, maar de uitgever had beter moeten weten. Nu is het ijs `onbefchrijfelijk wreed en fchrikbarend', worden de 'fchepen beftendig door het ijs ingefloten', maar redde de schipper gelukkig `zeven floepen'.

Kielhalen, zou ik zeggen.

En twee weken op water en brood.

René van Stipriaan (samenst.): Ooggetuigen van de Gouden Eeuw in meer dan honderd reportages. Prometheus, 300 blz. ƒ36,50

Ernst van den Boogaart: Het verheven en verdorven Azië. Woord en beeld in het Itinerario en de Icones van Jan Huygen van Linschoten. Met een vertaling van de Latijnse teksten door C.L. Heesakkers.

Het Spinhuis/KITLV, 118 blz. ƒ49,50

Margot de Waal (samenst.): Bij tij en ontij. 400 jaar zeeverhalen in de Nederlandse letteren.

Contact, 503 blz. ƒ59,90