Geen gewoon Duits meisje

In een serie recensies van romans die in het literaire hoogseizoen ten onrechte onopgemerkt bleven deze week `Het vaderland' van Judith Markus, haar jeugd-

herinneringen aan het Berlijn van de jaren dertig. (Nijgh & Van Ditmar, 252 blz. ƒ39,90)

De helft van de Duitse jongeren tussen de veertien en de zeventien jaar weet niet waar de naam Auschwitz voor staat. In deze krant beklaagde Paul Spiegel van de Centrale Raad voor Joden in Duitsland zich onlangs over het Duitse onderwijs. Volgens hem is er daar iets grondig mis met de kennisoverdracht.

In dat opzicht is het jammer dat de van oorsprong Duitse Judith Markus, een psychologe die sinds 1950 in Nederland woont, haar aangrijpende jeugdherinneringen niet in haar moedertaal, maar in het Nederlands heeft gepubliceerd. Deze memoires zouden verplichte literatuur moeten zijn voor alle Duitse scholieren om hen in te prenten wat stelselmatig geuite vooroordelen jegens bevolkingsgroepen aanrichten en waar xenofobie op kan uitdraaien.

Judith Markus' achtergrond is in veel opzichten te vergelijken met die van haar generatiegenote Anne Frank, met dit verschil dat haar vader, een succesvolle zakenman, meer vertrouwen had in de Duitse beschaving dan die van Anne. De Franks emigreerden in 1933 naar Nederland, terwijl vader Markus tegen de klippen op bleef hopen dat de nazi-barbarij vanzelf zou verdwijnen.

In Het vaderland beschrijft Markus een aanvankelijk onbezorgde Berlijnse jeugd in een geassimileerd joods gezin. Ze is zes als op 30 januari 1933 Hitler aan de macht komt. Op straat ziet ze het wemelen van de bruinhemden en voor het eerst hoort ze het Horst Wessellied: `Und wenn das Judenblut vom Messer spritzt dann geht's noch mal so gut.' Haar moeder reageert geschrokken, maar haar vader zegt sussend dat het hier `een onnozel straatliedje' betreft. `We zijn normale burgers in dit land en die opgewonden stemming van vandaag is morgen weer voorbij. Gewoon propaganda van de nieuwe partij.'

Ook op school wordt het onbezorgde, intelligente kind dat niet gewend is een blad voor de mond te nemen en alles wil begrijpen, geconfronteerd met niet te bevatten verschijnselen. Wat te doen als er klassikaal nazi-liederen worden gezongen? Zolang het niet over joden gaat, doet ze uit volle borst mee, maar antisemitische teksten krijgt ze niet uit haar keel. Hoe ze zich moet gedragen in dit soort situaties weet ze niet, er zijn geen regels voor en het is moeilijk er met iemand over te praten. Pas als ze van haar ouders geen toestemming krijgt om een Beiers jasje te kopen, het uniform van de Bund Deutscher Mädel , begrijpt ze dat ze geen gewoon Duits kind is. `Joden dragen zoiets niet', zegt haar vader. En op haar vraag of Duits en joods niet samen kunnen, antwoordt hij: `In dit geval niet, en als je moet kiezen, ben je eerst joods.'

Al gauw blijkt dat ze niets te kiezen heeft. Het gymnasium waar ze op haar tiende heen zou gaan, neemt in 1937 geen joodse leerlingen meer aan. Ze moet naar een in allerijl opgericht joods lyceum, aan het andere eind van de stad. Als een paar medeleerlingen die door leden van de Hitlerjugend zijn overvallen, wraak nemen op hun belagers, reageren haar ouders geschokt, want eigenrichting hoort niet. Het kind is woedend over deze manier van denken: `Je kunt toch maar niet steeds blijven toekijken en niets doen.'

Judith is realistischer dan haar ouders. Op school blijven steeds meer banken leeg, omdat de een na de ander naar het buitenland vlucht. Haar vader vindt emigreren laf, bovendien is het in 1938 eigenlijk al te laat. De Verenigde Staten willen niemand meer opnemen, de Engelsen laten geen joden Palestina meer binnen, de Europese landen sluiten hun grenzen en zijn nauwelijks veilig. Na de Kristallnacht verdwijnt Judiths klasgenootje en beste vriendin Helga: met haar familieleden is ze uitgeweken naar Amsterdam. Een week later zijn ze weer terug in Berlijn, door de Nederlandse politie als illegalen opgepakt en de grens over gezet.

Voor Judith en haar jongere broertje Heini komt er op de valreep redding. Dankzij een actie van een aantal Europese landen om joodse kinderen uit Duitsland en Oostenrijk te helpen, kunnen ze terecht in Zweden. Ze vertrekken op 12 februari 1939, uitgezwaaid door hun ouders, die niet langer in staat zijn hun wanhoop te verbergen. Wanneer de 12-jarige Judith de tranen van haar altijd zo beheerste vader ziet, stort haar wereld in. Dit intense verdriet over het, naar ze meent tijdelijke, afscheid had ze niet verwacht.

Judiths vader, zo blijkt uit een epiloog, werd in 1942 in Dachau vermoord, haar moeder vermoedelijk een jaar later in Auschwitz. Ook de uit Nederland verjaagde Helga en haar familieleden overleefden de kampen niet. Aan `Helga en de anderen' is Het vaderland opgedragen, een verhaal over het omineuze voorspel van Auschwitz, dat zonder enige zelfvertedering is opgetekend en dat leest als een perfect geconstrueerde roman. Ook voor wie denkt `alles' te weten over de holocaust en wat eraan vooraf ging, is deze literaire autobiografie – consequent en stijlvast geschreven vanuit het perspectief van een slim, vroegrijp kind – een onthullend, pijnlijk en emotionerend boek. Hopelijk komt er snel een vertaling in het Duits.

    • Elsbeth Etty