Een dissidente modernist

Het nieuwste boek van de Amerikaanse pianist en musicoloog Charles Rosen (1927) is een verzameling artikelen waarvan de meeste eerder verschenen in The New York Review of Books. Het behandelt uiteenlopende onderwerpen als de esthetiek van de podiumangst, Rosens musicologische voorbeeld Oliver Strunk, de klaviermuziek van Bach en Händel, de missen en opera's van Haydn en Mozart, het oeuvre van Beethoven, Brahms, Schönberg en Carter, de historische uitvoeringspraktijk, naslagboeken, recente ontwikkelingen in de muziekwetenschap en de toekomst van de klassieke muziek.

Om de lezer nog meer te bieden dan slechts dit heterogene snoepgoed, verklapt Rosen in de inleiding al de boeiende thema's van zijn boek. Daarmee is hij even onthullend als verhullend. Rosen, zo blijkt uit elke zin, voelt zich in de eerste plaats een pianist en daarmee een podiumdier dat moet overtuigen met uitvoeringen van werken die vele toehoorders allang kennen in diverse sublieme interpretaties. Overtuigen doe je dus door een nieuw en intrigerend geluid te laten horen.

Dat triviale feit heeft voor de schrijver consequenties die verre van triviaal zijn. Een kunstwerk is veel meer dan wat de maker ermee bedoeld kan hebben. De receptiegeschiedenis leert ons niet slechts een kunstwerk van vele kanten te bekijken, ze maakt ook dat al die brillen een vanzelfsprekend onderdeel van het werk worden, ongeacht hoe de componist daarover denkt. Vandaar Rosens belangstelling voor de verschillen tussen naslagwerken en zijn fundamentele veroordeling van de historische uitvoeringspraktijk. Deze praktijk drijft op de illusie dat we het gedachtegoed tussen ons en de componist zouden kunnen negeren. Muziek blijft levend doordat latere generaties ons beeld daarvan verrijken, met name componisten en (dat spreekt bij de pianist voor zich) musici.

Dit standpunt staat absoluut niet haaks op het feit dat vooraanstaande componisten als Stravinsky en Boulez hem vroegen hun werk op de plaat te zetten. Rosen is in twee opzichten een overtuigd modernist. Hij is een hartstochtelijk pleitbezorger van de beste twintigste-eeuwse componisten. En hij verdedigt met verve de modernistische opvatting dat creativiteit onlosmakelijk verbonden is met een breuk met de traditie. Dat geldt voor Mozart en Schumann evenzeer als voor Carter en Schönberg. Het idee dat componisten als Mozart en Beethoven meer respect toonden voor `het publiek' en `de traditie' dan bijvoorbeeld Carter en Boulez vindt hij ronduit belachelijk. Alle zeer goede componisten, ook Mozart en Chopin, hadden moeite om sommige van hun stukken aan de man te krijgen. Diverse composities van Schubert waren decennialang onbemind. Brahms lijkt eenvoudig en goed in het gehoor te liggen, maar schijn bedriegt. De scheidslijn loopt niet tussen progressieve en conservatieve geesten, maar tussen de makers, vertolkers en liefhebbers van simpele en ingewikkelde muziek.

Het is waar dat veel eigentijdse muziek een kleiner publiek heeft dan Mozart. Rosens antwoord daarop is niet simpel, maar wel duidelijk. Muziek houdt stand omdat musici en toehoorders daarin geloven; veel belangrijker dan de afkeer van een grote groep is de liefde van een kleine groep. Muziek moet men leren waarderen en de waardering van muziek is evenzeer een sociale als een artistieke daad. Weerzin jegens hedendaagse muziek berust vaak meer op rancune dan op kennis. Als vaste medewerker van The New York Review is Rosen perfect in staat de dubieuze motieven van conservatieve denkers als Roger Scruton en Lloyd Webber feilloos bloot te leggen en met prettig venijnige bewoordingen aan de kaak te stellen.

Gevoel voor kwaliteit telt zwaarder dan affiniteit met een stijl. Vandaar dat hij een repertoire bespreekt dat loopt van Bach tot Boulez. Beperking tot het ijzeren repertoire is hem even vreemd en kortzichtig als avant-gardistisch snobisme. Dat hij daarmee voor beide kampen enigszins een dissident is, heeft een groot voordeel. Hij kan nu nóg meer mensen op de kast jagen, een kunst die hij even graag als subliem beoefent.

Ook in zijn aanpak is Rosen een dissident modernist. Hij deelt de opvatting van de modernistische muziekwetenschap dat het uiteindelijk gaat om een grotere kennis van de structuur van de compositie, maar anders dan sommige van zijn collega's wil hij zich daarbij niet beperken tot de analyse. De kritiek dat de modernistische aanpak zich vaak tot die analyse beperkt, kan hij begrijpen. Daarom verwelkomt hij postmodernistische musicologen die aandacht vragen voor invalshoeken die jarenlang genegeerd werden, zoals de rol van sociale factoren en de cultureel bepaalde opvattingen omtrent seksualiteit en muzikale expressie. Niettemin blijft Rosen de analyse voorop stellen. Om de besproken muziek inzichtelijk te maken, bedient Rosen zich van een scala aan kennisbronnen: biografie, analyse, receptiegeschiedenis en uiteraard ervaringen van musici. Kennis van iemands leven is nuttig, maar verklaart in laatste instantie het werk niet. Leven en werk zijn gedeeltelijk zelfstandige fenomenen.

Rosen behoort tot de weinigen die fantastisch over muziek kunnen schrijven. Hij weet dat de ware schrijver niet overtuigt door de inhoud, maar door de stijl. In zijn stilistisch beste teksten zijn de mededelingen betrekkelijk kort en altijd duidelijk. De verbanden echter zijn overladen met paradoxen en daarmee de ideale voedingsbodem voor ironie, nuancering en complexiteit. Als logicus en humorist die geen onderscheid maakt tussen serieuze en niet-serieuze wendingen kan hij het zich veroorloven om diverse eigen fouten uit eerdere publicaties te laten staan omdat ze te mooi zijn om te verbeteren.

Dat in dit boek Rosens sublieme studies over Schubert en Boulez ontbreken, is jammer. Maar dat het merendeel van de nu gebundelde stukken eerder verscheen in een algemeen cultureel blad, moet hoop geven. Teksten van dit soort hoeven ook in Nederland niet beperkt te blijven tot vakbladen en verdienen plaatsing in een krant of weekblad en daarmee een veel groter publiek dan nu het geval is.

Charles Rosen: Critical Entertainments. Music old and new. Harvard University Press, 328 blz. ƒ90,65

    • Emanuel Overbeeke