De zingende zeehond

`Sorry voor de stank.' Met deze openingszin waarschuwt de schrijver Tom Gilling (1961) de lezer voor de wereld die hij binnengaat in The Sooterkin. Een roman die zich afspeelt rond 1821 in het modderige Tasmaanse vissersplaatsje Hobart, waar slechts criminelen, dronkaards en mismaakten leven.

In dit gehucht van voornamelijk Britse bannelingen is niets zuiver op de graat. Aan alles wat ontstaat mankeert iets. Zelfs de geboorte van het jongetje Ned wordt dezelfde dag nog bezoedeld door diens pijprokende vader. Hoe men ook schrobt en boent, de tabaksvlek uit de lekkende pijp blijft zichtbaar in het babynaveltje. Wanneer Ned negen jaar is, bevalt zijn moeder Sarah van een zeehondenpup, een `sooterkin'. Die benaming komt uit het Nederlands (soetekijn), waar het behalve `lieveling' ook gebruikt werd om een denkbeeldige nageboorte aan te duiden.

Zoals gebruikelijk in zo'n dorp verspreidt het nieuws van de geboorte zich snel en heeft ieder er een verklaring voor. De dominee noemt het schepsel een geschenk uit de hemel, de semi-wetenschapper meent dat het voortkomt uit de verbeelding. De eeuwig dronken vader plaatst zijn vraagtekens, vooral omdat hij zich niet kan herinneren een aandeel in de conceptie te hebben gehad. Sarah en Ned daarentegen omhelzen de nieuw geborene, die de naam Arthur krijgt.

Al gauw blijkt Arthur te kunnen zingen en enkele kunstjes te beheersen. Omdat in het plaatsje nooit iets gebeurt, is een optreden van hem een aangename afwisseling. De familie gaat het daardoor financieel voor de wind. Wanneer een Amerikaan langskomt om een bod op Arthur te doen, heeft dit zowel gevolgen voor de familie als voor de inwoners van het dorp.

The Sooterkin is niet alleen een absurd verhaal over een vrouw die bevalt van een zeehond, maar ook een bijzonder mooie schets van het negentiende-eeuwse Australië, waarbij de stank soms van de pagina's afspat. Fantasie en documentatie worden prachtig en geestig verweven. Dickensachtige sfeertekeningen staan naast vrijwel journalistieke 'sooterkin'-beschrijvingen van contemporaine chroniqueurs als John Cleveland en John Draper, en geen moment detoneren ze. Ook in het verhaal zelf worden werkelijkheid en verbeelding met elkaar verweven. Zo wordt elke nieuwe gebeurtenis ingeleid door een krantenknipsel uit het plaatselijke sufferdje. Deze stukjes gaan voornamelijk over ontsnapte criminelen en opmerkelijke gedrochten:

`Ons heeft een merkwaardig Verhaal bereikt over de Twee-Benige Pony. Dit merkwaardige Wezen vertoont een nieuw Fenomeen in de vorm van een SPIRAALVORMIG UITSTEEKSEL tussen de oren. Mocht het Fenomeen enige Lengte gaan aannemen, krijgt de Pony het Uiterlijk van een EENHOORN; het is echter waarschijnlijker dat we hier te maken hebben met een Bult op het Voorhoofd dan met een speling der Natuur die haar Bewonderaars wil verbazen.'

Gilling beschrijft zijn personages buitengewoon effectief, tegelijk ironisch en betrokken. Sarah is `een opvliegende vrouw met een smalle rode mond en te veel tanden' en dominee Kidney `wist wanneer hij teveel had gedronken, maar op een abstracte, onpersoonlijke manier zoals hij ook de Latijnse benaming voor een komkommer kende en het aantal hoofdstukken in Ezechiël.' Ook kent het dorp zijn driftig experimenterende wetenschapper, die ganzeneieren in een kangoeroebuidel laat uitbroeden, en die dankzij zijn kennis van de frenologie in staat is misdadigers vooraf te herkennen (bruikbare kennis in een dorp van voornamelijk bannelingen).

De confrontatie tussen verbeelding en realiteit is een belangrijk gegeven in de roman, en het verschijnsel van de `sooterkin' wordt tussen deze uitersten heen en weer geslingerd. De twee personages die menen de meeste aanspraak op de werkelijkheid te kunnen maken, semi-wetenschapper Sculley en dominee Kidney, worden belachelijk gemaakt. Sculley zoekt de verklaring voor de opmerkelijke geboorte in de verbeelding, terwijl Kidney meent met een onbevlekte ontvangenis te maken te hebben.

Gilling speelt een fraai spel met de grenzen tussen geloof en wetenschap, verbeelding en realiteit. Wanneer de dominee op zoek is naar een verklaring voor het bestaan van Arthur, schetst hij nog veel merkwaardiger wezens, zoals de viervoeter die onder water leeft, eendenpoten heeft, eieren legt maar toch haar jongen zoogt. Dit is misschien wel het onwaarschijnlijkste beest dat in het boek beschreven wordt, maar het is niet ontsproten aan de fantasie of dronken verbeelding. Het vogelbekdier is een weliswaar zeldzame, maar in Tasmanië toch reële verschijning. Zo blijft de strijd tussen verbeelding en werkelijkheid in The Sooterkin onbeslist, in ieder geval wint de humor.

Tom Gilling: The Sooterkin. Viking, 212 blz. ƒ33,95

    • Toef Jaeger