De potvis stoot toe

Sinds in 1986 het tijdelijke verbod op de walvisvangst inging, is de potvis effectief beschermd. Er zal nog wel eens een dier worden geharpoeneerd, maar van commerciële visserij is geen sprake meer. Ook worden geen potvissen voor of onder het mom van wetenschappelijk onderzoek gedood. De potvis floreert nu zodanig dat binnen de International Whaling Commission stemmen opgaan hem niet langer als een heilige koe te behandelen en tenminste een beperkt onderzoeksquotum toe te staan. Natuurbeschermers zijn daar tegen, bang dat onderzoek waarvoor vangst nodig is een hervatting van de exploitatie inluidt.

De geschiedenis van die exploitatie is lang en internationaal. Gaven in de laatste fase Japan, Rusland en Noord-Korea de toon aan, in de jaren twintig van de negentiende eeuw was de potvisjacht in de eerste plaats een Amerikaanse aangelegenheid. Vanaf het eiland Nantucket voeren jaarlijks zo'n zeventig schepen ter potvisvaart om, als het meezat, binnen twee jaar volgepakt met olie, spermaceti en amber terug te keren. Soms was hun lot minder fortuinlijk, zoals dat van de Essex, die Nathaniel Philbrick in In the heart of the Sea op zijn laatste reis volgt.

De Essex vertrekt op 12 augustus 1819. Drie dagen later kapseist het schip in een storm en verspeelt het twee walvissloepen. Men vaart niettemin door, via de Azoren en de Kaapverdische eilanden, passeert de evenaar en signaleert bij Argentinië de eerste potvis. Pas nadat Kaap Hoorn is gerond begint de vangst ergens op te lijken. Na een jaar is het schip met 700 vaten olie voor de helft gevuld. Het zet koers naar de zogeheten Offshore Ground in de Stille Oceaan, een kort tevoren ontdekte potvisgrond, waar men inderdaad op een school stuit en de jacht opent. Dan draait een woedende potvis de rollen om en ramt het schip met twee kopstoten de vernieling in. Exit de Essex. Dit was volgens de uitgever het ware verhaal achter Moby Dick. Maar waar Moby Dick ophoudt, heeft de ondergang van de Essex een nasleep. Met wat zij aan voedsel en bruikbare spullen uit het zinkende schip weten te redden, verdelen de twintig schipbreukelingen zich over de sloepen en vervolgen hun reis. In een gruwelijke variant op de tien kleine negertjes vallen er steeds meer gaten in de groep. Drie mannen blijven op een eiland achter, waar zij later worden opgepikt. Vijf overleven de ramp op zee in twee sloepen, die dan allang gescheiden zijn geraakt. De nood stijgt zo hoog dat de opvarenden in de ene sloep zich voeden met mensenvlees. De walvisvaarder die op 23 februari 1821 deze sloep van kapitein Pollard in het vizier krijgt, treft twee hologige zombies aan, bezig het merg te zuigen uit de botten van hun dode scheepsmaten.

De belangrijkste informant over de ramp zat in de andere sloep, eerste stuurman Owen Chase. Hij publiceerde zijn ervaringen met behulp van een ghostwriter negen maanden na zijn redding in Narrative of the wreck of the Whaleship Essex. Melville nam er in 1841 kennis van toen hij zelf op de Acushnet voer. In Moby Dick noemt hij de Essex met name om de lezer te overtuigen van de vernietigende kracht van een potvis.

Behalve de Narrative zijn er brieven, artikelen en kronieken behouden die de ramp van meer kanten belichten en bijvoorbeeld kapitein Pollards versie beter weergeven. Pollard had zijn eigen neef opgegeten. De jongen was aan zijn zorgen toevertrouwd, maar werd door het lot als slachtoffer aangewezen. Pollard deed zijn verhaal voor het eerst op de avond van zijn redding, opmerkelijk vief na wat eten en drinken. Een van zijn toehoorders schreef er meteen een brief over, die gedeeltelijk bewaard is gebleven.

Philbrick is niet de eerste die de reis heeft gereconstrueerd. Hij maakt dankbaar gebruik van het grondige bronnenonderzoek en de tekstanalyses die auteurs vóór hem hebben uitgevoerd en zoekt het zelf meer in de breedte dan in de diepte. In een inleidend hoofdstuk over Nantucket voorziet hij de Essex, de Quaker eigenaren en de gemengde blank/zwarte bemanning van een context. Zijn weergave van de reis is er een met zijsprongen waaruit blijkt dat hij zich ruim heeft gedocumenteerd. Nadert het schip Kaap Hoorn, dan stapt hij over op de Bounty van kapitein Bligh die er niet omheen kwam. Darwin voert hij in de buurt van de Galapagos op, waar de bemanning 180 reuzenschildpadden vangt voor eigen consumptie. Na de aanval op de Essex beschrijft hij het gedrag van potvissen. Een mooi detail is het moment dat Chase een kapotte walvissloep stond te repareren en hamerend perfect het geluid van een potvis imiteerde. De beschrijving van de potvisvangst kan overigens niet aan die van Melville tippen.

Nieuw is dat Philbrick het relaas van de scheepsjongen in zijn reconstructie betrekt. Deze Thomas Nickerson was veertien toen de Essex zonk en overleefde de ramp in Chase's sloep. Op zijn een-en-zeventigste, inmiddels pensionhouder in Nantucket, stelde hij zijn herinneringen op schrift, maar het manuscript raakte in de vergetelheid. Pas een eeuw later verscheen het als monografie in een beperkte oplage; onlangs werd het herdrukt. Hoe betrouwbaar die bron is, laat zich moeilijk vaststellen. Chase had kort na de ramp ongetwijfeld meer feiten paraat dan Nickerson ruim vijftig jaar na dato, maar zal bij de beschrijving van zijn eigen rol ook door eigenbelang zijn geleid. Philbrick heeft beide verslagen vergeleken en bespreekt de verschillen. Nickerson herinnerde zich dat Chase na de eerste stoot van de potvis een harpoen greep en op het punt stond toe te steken. Uit angst dat het dier het roer met zijn staart onklaar zou maken en de Essex midden op de oceaan stuurloos zou achterblijven liet hij de potvis gaan, met alle gevolgen vandien. In de Narrative komt dit voorval niet ter sprake. Stel dat Nickerson gelijk had en stel dat Chase in die beslissende seconde als een ware leider instinctief juist had gehandeld, dan was de ondergang van de Essex voorkomen. Of Moby Dick dan een ander slot had gekregen zullen we nooit weten.

Nathaniel Philbrick:

In the heart of the sea.

HarperCollins, 302 blz. ƒ49,95