Bosnië verkracht

In het oude Joegoslavië sliepen drie geloven (het rooms-katholieke, het grieks-orthodoxe en de islam) op één kussen, dus de duivel is er nooit ver geweest.

In de meest recente oorlog in Bosnië waren het de Serviërs die zevenhonderd jaar frustratie moesten afreageren in een orgie van geweld, die hoofdzakelijk tegen weerloze burgers was gericht. Het liefst tegen vrouwen en kinderen. Nederland is de laatste jaren regelmatig opgeschrikt door de verkrachting en moord op jonge meisjes, in Bosnië zijn er duizenden van zulke gevallen geweest, gepleegd door mannen die nog maar kort tevoren volkomen normale burgers waren. Volwassen vrouwen werden natuurlijk evenmin ontzien. En zo is de Bosnische oorlog niet alleen een oorlog van Serviërs tegen moslims geweest, maar ook een oorlog van mannen tegen vrouwen. De man – dat is algemeen bekend – is op zijn retour, en het was in Bosnië of de Servische man dat nog minder kon verdragen dan zijn soortgenoten elders, hij heeft er zijn frustraties tenminste op het andere geslacht afgereageerd met een wreedheid die zelfs op de Balkan ongeëvenaard is.

Deze kant van de Bosnische oorlog is lange tijd onderbelicht geweest, omdat de slachtoffers in het algemeen moslimvrouwen waren die niet geneigd zijn openhartig over hun ervaringen te spreken.

De Kroatische schrijfster Slavenka Drakulic heeft het aangedurfd over deze thematiek een roman te schrijven. Alsof ik er niet ben is wat op de televisie een docudrama wordt genoemd, een verhaal gebaseerd op ware gebeurtenissen, maar nagespeeld met fictieve personages. Het is een gevaarlijk genre, waarbij sentimentaliteit, huilerigheid en gelijkhebberigheid voortdurend op de loer liggen, maar als het de maker lukt om dat allemaal buiten de deur te houden kan het resultaat verbijsterend zijn en meer zeggen dan een echte documentaire.

Dit laatste is bij Drakulic het geval. Alles wat naar tranen zweemt heeft zij consequent vermeden, doordat ze heeft gekozen voor een zeer drastische vorm van afstandelijkheid, ja bijna van onthechting. Deze is zo ver doorgevoerd dat de personages geen naam hebben, maar alleen worden aangeduid met hun initiaal of hun functie: S., of de Kapitein.

Ook bij de personen zelf is onthechtheid de overheersende eigenschap. De titel van het boek geeft het al aan, niemand in dit boek, slachtoffers zomin als beulen, is zichzelf. Ook S., die onderwijzeres is in een Bosnisch dorp, heeft het gevoel dat wat er gebeurt, eigenlijk een ander overkomt. Het ene ogenblik sta je koffie te zetten in je keuken, het volgende moment word je met tientallen andere vrouwen door gewapende mannen die opeens in je dorp zijn verschenen, opgepakt, samengedreven in een gymnastieklokaal en vervolgens in autobussen naar een bedrijfshal getransporteerd waar een provisorisch kamp is ingericht. De paar mannen die in het dorp aanwezig waren, zijn inmiddels doodgeschoten, buiten het zicht maar binnen gehoorsafstand van de vrouwen. De huizen van het dorp worden geplunderd en in brand gestoken. De vrouwen herkennen sommige van de gewapende mannen, zij waren kort tevoren nog postbode of buschauffeur en deden altijd vriendelijk en normaal. Nu hebben ze een geweer, spreken uitsluitend in eenlettergrepige zinnen en blaffen de vrouwen af. Hun slachtoffers zijn als verlamd. Het is opvallend dat niemand probeert te vluchten, hoewel dat op een aantal momenten, bijvoorbeeld tijdens een sanitaire stop, heel goed mogelijk is. Maar reeds na enige uren gevangenschap zijn de vrouwen zo murw dat ze niet meer in staat zijn tot welk initiatief dan ook.

In het kamp wordt S. uitgekozen voor `het vrouwenvertrek', de kamer waar de `troostmeisjes' verblijven, de meisjes waar de meestal dronken soldaten hun lusten op mogen botvieren, dikwijls tot de dood (van het meisje) erop volgt. Voor de soldaten is hun geslachtsdeel een verlengstuk van hun wapen en is de geslachtsdaad moord met andere middelen. Als dank drukken zij na de daad sigaretten uit op de borsten van de meisjes – in het gunstigste geval.

Ook de soldaten zijn slachtoffers, al denken zij daar zelf anders over: `Het was S. duidelijk dat zij ook gevangenen waren zonder individualiteit, zonder gezicht. Hun lichamen en hun wil behoorden ook aan een ander toe – aan het leger, de leider, de natie. Ze gehoorzaamden en voerden bevelen uit van mensen op wie ze vertrouwden of voor wie ze bang waren. Even, wanneer ze op de drempel van het vrouwenvertrek stonden, geloofden ze dat ze iets anders waren. Dat ze meesters waren. Weten zij dat ze niet kunnen vluchten voor de oorlog, dat ze zich niet kunnen verbergen, dat ook zij gedood kunnen worden? vroeg S. zich af terwijl ze naar hun voetstappen luisterde.'

S. ziet als enige uitweg zich totaal aan te passen en de hoer te gaan spelen om de laatste restjes menselijke gevoelens in haar klanten te prikkelen. Ze weet op die manier in ieder geval de aandacht te trekken van de kampcommandant, de Kapitein wiens concubine ze wordt. Dat is haar redding. De kapitein behandelt haar goed en ze mag niet meer door andere soldaten gebruikt worden.

Uiteindelijk worden de vrouwen `uitgewisseld'. Ze worden naar Kroatië getransporteerd, waar ze in een vluchtelingenkamp worden ondergebracht. Daar ontdekt S. pas dat ze zwanger is, al vijf maanden. Te laat voor een abortus. Ze krijgt toestemming naar Zweden te gaan, waar ze bevalt van een zoon, verwekt door een van haar verkrachters. Ze wil het kind meteen na de geboorte afstaan, maar door een vergissing van een verpleegster krijgt ze het toch in de armen en geeft ze het de borst. Het einde van het boek is open: zal ze het kind toch houden of het alsnog afstaan?

Drakulic heeft zich met haar keuze voor één hoofdpersoon door wier ogen alles wordt gezien enigszins beperkt. Zelfs in een oorlog ervaart één persoon altijd maar een heel klein deel van het collectieve leed, vooral als hij of zij, zoals S., gevangen zit. Drakulic lost dit op door S. veel te laten luisteren naar de verhalen van anderen. Alsof ik er niet ben is zorgvuldig opgebouwd. De wreedheden worden geleidelijk opgevoerd, met een climax halverwege het boek, wanneer S. in het vrouwenvertrek zit. De tweede helft van het boek, wanneer S. in Zagreb en Zweden is, is het verhaal van oorlogsslachtoffers die hun trauma's moeten verwerken. S. kan zich niet uiten en raakt geïrriteerd door anderen die dat wel kunnen en haar vervelen met hun eindeloze klaagzangen. De benauwende atmosfeer in een vluchtelingenkamp wordt treffend weergegeven.

Drakulic' sobere maar verzorgde stijl en afstandelijke toon, die het bindende element is in dit boek, is in de prachtige vertaling van Reina Dokter volledig bewaard gebleven.

Alsof ik er niet ben bewijst hoe een literair werk superieur kan zijn aan journalistieke reportages. Ondanks de afstandelijkheid die Drakulic schept, krijgt de lezer langzamerhand het gevoel dat dit hem allemaal zelf overkomt, iets wat je bij het lezen van een krantenartikel maar zelden hebt.

Slavenka Drakulic:

Alsof ik er niet ben.

Uit het Kroatisch vertaald door Reina Dokter.

De Geus, 221 blz. ƒ49,35

    • Arthur Langeveld