Agenten van Nationale Opvoeding

De Nederlandse cultuurpolitiek mag zich in het algemeen niet verheugen in een brede belangstelling. Politici, intellectuelen en gewone mensen lopen er meestal in een grote boog omheen, en alleen als er een symfonieorkest wordt opgeheven of als een minister een P.C. Hooftprijs weigert toe te kennen, wil er zoiets als een debat ontstaan. Die debatten hebben meestal niet erg veel diepgang, en ze zijn meestal ook snel afgelopen.

Nu is het ook geen gemakkelijk onderwerp.

Om te beginnen is er altijd sprake van enige begripsverwarring. Wat als cultuurpolitiek wordt aangekondigd blijkt meestal vooral om het veel engere kunstbeleid te gaan – en dus meestal niet over de omroep, de overige media, de bibliotheken, het onderwijs – allemaal gebieden waar de overheid zich ook bedient van cultuurpolitieke uitgangspunten. En ten tweede is daar het vrijwel onoplosbare probleem dat de overheid in het cultuurbeleid met het belastinggeld van de burgers kunstuitingen subsidieert, die diezelfde burgers helemaal niet op prijs stellen. Zouden ze die wel op prijs stellen, dan was een groot deel van de subsidies immers niet nodig. Die paradox heeft al heel wat hoofdbrekens opgeleverd. De uitweg die meestal gekozen wordt is dat gepostuleerd wordt dat we ons nog in een verre van perfecte overgangsfase bevinden, waarin de kunstmarkt nog niet goed werkt en de mensen nog niet geheel op de hoogte zijn van de heilzame werking van cultuurconsumptie. De geloofwaardigheid van die uitweg wordt gehandicapt door het feit dat die overgangsfase nu al erg lang duurt, en daarom wordt er zo nu en dan een nieuwe uitdaging geïntroduceerd. Jongeren en allochtonen vervullen ook hier een dankbare rol: hun geringe deelname aan het gevestigde culturele leven is een voornaam argument van de verdedigers van de gesubsidieerde cultuurpolitiek.

Voor de volledigheid moet er nog een derde complicerende factor worden genoemd: sommige kunstuitingen zijn inderdaad nauwelijks nog door de burgers te betalen. De economen Baumol en Bowen hebben er op gewezen dat van de mechanisering en automatisering die voor de stijging van de arbeidsproductiviteit zo belangrijk zijn geweest, de kunsten (maar overigens ook het onderwijs en de gezondheidszorg) nauwelijks hebben kunnen profiteren. Terwijl het steeds minder mensen en tijd kost om een huis of een schip te produceren, zijn er in 2000 nog steeds evenveel mensen en uren voor nodig om een Beethoven-symfonie ten gehore te brengen als in 1825. Dat is de reden dat de uitvoerende kunsten zo duur zijn geworden dat ze eigenlijk niet meer door de verkoop van entreebewijzen zijn te financieren.

Jan Kassies

Al met al vormt cultuurpolitiek dus een geschikt onderwerp voor een wat diepgaandere behandeling dan die van het incidentele debat. Dat gebeurt ook, en van oudsher zijn daarin twee richtingen te bespeuren. De ene is het essay en de polemiek. Sinds het verscheiden van Jan Kassies in 1995 is op dit gebied niet zo heel veel belangrijks gebeurd. De andere is dat van de wetenschappelijke studie, meestal van historisch of sociologische aard. Sinds het proefschrift van Emmanuel Boekman (1939) en de naoorlogse oprichting van het Boekman-instituut is er een vloed van publicaties ontstaan, waarin het cultuurbeleid geanalyseerd, onderzocht en gemeten is.

In de eerste traditie valt de recente verschijning van een bundel beschouwingen van de essayist en ex-Balie directeur Paul Kuypers. Kuypers gaat in op een groot aantal elementen van het kunstbeleid: het kwaliteitsbegrip, de planning van het beleid, de kunstspreiding, de kunstmarkt, multiculturaliteit, de rol van de steden, etc. Bij al deze thema's stelt Kuypers vragen, plaatst hij kanttekeningen en voorziet hij de bewegingen van de kunstwereld en de overheid van kritisch commentaar. Een kernpunt van zijn betoog is dat het oude model, waarin volgens Kuypers de kunstwereld de inhoud van het beleid bepaalt, de politiek de voorwaarden schept voor dat beleid en de ambtenaren de uitvoering voor hun rekening nemen, niet meer bestaat. Daarvoor in de plaats is een systeem gekomen waarin `de bureaucratie' het voor het zeggen heeft gekregen. Het is een stelling waar wat voor te zeggen valt, maar men moet veel geduld met de auteur hebben om de daarvoor benodigde argumenten te vinden. Nergens wordt een heldere conclusie geformuleerd, het enige dat duidelijk wordt, is dat Kuypers met een zekere ontevredenheid naar de cultuurpolitiek kijkt en het inhoudelijke debat mist. Een diep heimwee naar de heldere essays van Kassies beving me bij het doorploegen van Kuypers' zinnen. Er staan geen bijzonder moeilijke woorden in, ze zijn ook volgens de regels van de grammatica opgebouwd, maar wie op de betekenis van zijn mededelingen wil inzoomen wordt keer op keer teleurgesteld. Achter zijn bezwerende betoogtrant verschuilt zich iets dat vooral op gebrek aan inhoud lijkt.

Verlichtingsideaal

Met de essayistiek van Kuypers vormt het proefschrift van Roel Pots een verademend contrast. Pots, een historicus die als ambtenaar en docent in zijn levensonderhoud voorziet, schreef een dik boek over de geschiedenis van het Nederlandse cultuurbeleid. Het boek is een fraai voorbeeld van de tweede traditie: die van Boekman en het wetenschappelijk geschrift. Pots bestrijkt een lange periode: vanaf de tijd voor de Opstand (1568) tot aan 1999. Van cultuurbeleid in de strikte zin is gedurende deze periode natuurlijk geen sprake. Stadhouder Frederik Hendrik gaf dan wel aan belangrijke kunstenaars opdrachten, maar het mecenaat dat hij in zijn streven naar vorstelijke allure praktiseerde, was van geheel andere aard dan het democratisch gecontroleerde subsidiesysteem dat na de Tweede Wereldoorlog tot stand is gekomen. Toch is het verhelderend om de relatie tussen overheid en kunst in een dergelijk breed historisch perspectief te zetten. Het draagt bijvoorbeeld bij aan het inzicht dat voor de verklaring van het huidige cultuurbeleid het niet genoeg is te kijken naar de functies die het nu vervult; tenminste zo belangrijk is het feit dat de overheidsbemoeiing met kunst een lange traditie heeft en dat daardoor een bepaald verwachtingspatroon is gecreëerd. Dat de overheid `nu eenmaal' iets met de kunst te maken heeft is misschien niet de meest solide fundering van het kunstbeleid, deze historisch gegroeide aanname is wel een krachtige motor van het stelsel. Een belangrijke episode was de Franse tijd. De `Agent van Nationale Opvoeding' die in 1798 werd benoemd, kreeg onder meer de bevordering van de kunsten als taak, en al kwam na drie jaar al een einde aan deze constructie, het Verlichtingsideaal was vanaf die tijd onderdeel van het overheidsrepertoire. Veel later zou dit ideaal een uitwerking krijgen in het beginsel van de kunstspreiding.

In Pots' boek overheersen de feiten, de tekst heeft een zeer hoge informatiedichtheid. Elke beleidsmaatregel wordt uitvoerig gedocumenteerd, en waar dat mogelijk is, geeft Pots bedragen en bezoekersaantallen. Dat gaat honderden bladzijden zo door, en bij de lezer die dit allemaal tot zich neemt stijgt de bewondering voor het grootschalige bronnenonderzoek dat aan dit boek ten grondslag ligt. Daarbij schrijft Pots helder en is zijn boek overzichtelijk, want chronologisch, gestructureerd.

Het is een boek dat zich als naslagwerk ongetwijfeld een belangrijke plaats zal verwerven. In het laten zien van een rode lijn en in het formuleren van trends is Pots minder sterk. In het laatste hoofdstuk van zijn boek geeft hij een aantal algemene conclusies. Erg verrassend zijn ze niet, dit boek moet het vooral van de feiten hebben. Op de laatste pagina's citeert Pots met een zekere instemming critici die aanvoeren dat over het huidige cultuurbeleid nauwelijks nog een fundamenteel debat wordt gevoerd. Het cultuurbeleid is door decentralisatie, cultuurplansystematiek en door de nadruk op `meer markt en publiek' in een domein terechtgekomen waarin over normen en waarden nauwelijks nog gesproken wordt. Het is een gedachte die ook in het boek van Kuypers aanwezig is, maar wie zich voorneemt dat debat eens aan te wakkeren kan beter terecht bij de heldere beschrijvingen van Pots dan bij de gewichtige formules van Kuypers.

Paul Kuypers: In de schaduw van kunst. Een kritische beschouwing van de Nederlandse cultuurpolitiek. Prometheus, 208 blz. ƒ39,90

Roel Pots: Cultuur, koningen en democraten. Overheid & cultuur in Nederland. SUN, 647 blz. ƒ49,50

    • Warna Oosterbaan