Treinramp

Als kind ben ik ontzettend bang geweest dat ik een trein zou laten ontsporen. Ik zat nog op de lagere school toen ik met mijn vriendje Kees naar een afgelegen spoorbaan onder de rook van Rotterdam fietste. We gingen daar naartoe om centen en stuivers plat te walsen.

Dat was een moeilijk en tijdrovend klusje. Je moest zorgen dat de munt precies midden op de rail lag. Legde je 'm verkeerd, dan ketste hij er vanaf of raakte hij zo beschadigd dat je er zelfs geen drop meer voor kon kopen. Maar een goed geplaatste stuiver werd door iedere trein die er overheen denderde een klein stukje opgerekt. Met een beetje mazzel kon-ie zo'n twaalf centimeter lang worden. Daar was je dan wel de hele middag mee bezig. Centen werden minder lang, want daar zat minder koper in, maar ook die kregen uiteindelijk de vorm van een platte sigaar.

Kees en ik verstopten ons steeds in de bosjes naast het talud. Omdat we bang waren dat de machinist of iemand anders ons zou zien, maar vooral omdat we als de dood waren dat een trein zou ontsporen. Nooit zal ik de eerste keer vergeten dat een trein míjn stuiver raakte. Dat gaf een doffe, droge tik die boven het treingeraas te horen was.

Ik zat met mijn ogen dicht, met mijn handen om mijn buik, en zag in gedachten voor me hoe de locomotief wankelde en daarna traag, min of meer aarzelend, van het talud kieperde, alle wagons met zich meesleurend. Ik deed het bijna in mijn broek van angst.

Na een paar keer begon het te wennen, maar Kees en ik hebben het nooit aangedurfd om een kwartje op de rails te leggen, laat staan een gulden. Die leken ons véél te hard en te hoog. Bovendien kon je op de markt voor een kwartje een hele puntzak koekkruimels mét stroop kopen.

    • Ewoud Sanders