Maurice Góth bleef een impressionist in hart en nieren

,,Ik voel dat het me gaat lukken een typisch Hongaars element in mijn werk aan te brengen en toch verfijnd te blijven'', schreef schilder Maurice Góth in 1922 aan de mecenas Gyula Wolfner. Waar Góth op doelde was niet een typisch nationale schilderstijl of onderwerpkeuze, maar de Centraal-Europese lichtval. Hij wilde op het canvas het gouden licht vangen dat het graan in vlammen zette, het groen van de wouden een bijna mystieke diepte verleende en de kleding een bonte vrolijkheid meegaf. Maar eigenlijk besloeg die zoektocht naar het licht Góths hele artistieke loopbaan. Tot zijn dood in 1944 bleef hij een impressionist in hart en nieren.

In het Marie Tak van Poortvliet Museum in het Zeeuwse Domburg is een tentoonstelling gewijd aan deze Hongaars-Nederlandse schilder, alsmede aan zijn vrouw Ada en dochter Sárika die beiden ook schilderden. Jarenlang was de Góth-familie onderdeel van de tussen 1911 en 1921 in Domburg wonende en exposerende kunstenaarskolonie, waartoe ook Jan Toorop en Piet Mondriaan behoorden. De artistieke aantrekkingskracht van de badplaats was gelegen in het typische kustlicht. Zelfs nadat de meeste collega-schilders waren vertrokken en vervangen door middenklasse-gezinnen, bleven de door het licht gehypnotiseerde Góths op Walcheren wonen.

De eerste keer dat Maurice Góth de zee zag was in 1906 in Normandië; een levenslange liefde voor alle tinten blauw was het gevolg. Daarvoor was zijn stijl, een kleurrijk en plastisch impressionisme, vooral gevormd door zijn verblijf in de Hongaarse kunstenaarskolonie Nagybánya. Daar ontmoette hij ook zijn toekomstige vrouw Ada, die het schilderen opgaf om voor man en kind te zorgen. Na haar huwelijk heeft zij nauwelijks meer geschilderd, wel af en toe getekend of geëtst. Te oordelen naar de twee tentoongestelde werken van haar hand, een zeer expressieve potloodtekening en een vakkundig stilleven, ging met die beslissing een begenadigd kunstenares verloren. Het werk van Maurice is wisselvallig van kwaliteit en niet echt stijlvast. Het ontbreken van jaartallen op veel van de schilderijen maakt het moeilijk een stijgende of dalende lijn in de tijd te ontdekken. Uitschieters zijn het mysterieuze portret van schrijfster Marjorie Bowen en de rafelige maar sprankelende beeltenis van Tincky de Klark.

Met deze personen voelde hij blijkbaar een bepaalde verbondenheid, die terug te lezen is in de ogen die overlopen van karakter.

In Góths vele landschappen was het karakter van het licht oppermachtig. In De familie van de schilder buiten aan tafel, geschilderd in zijn geboorteland, spat de warmte van het doek.

Maar de boerderijen die hij vereeuwigde in het Brabantse Heeze zijn ondergedompeld in ijle, koude tinten. In later jaren beperkte Maurice zich tot het zo natuurgetrouw naschilderen van zijn onderwerpen in lila, grijs, mint, beige en pastelgeel. Een verblijf in Italië en Hongarije resulteerde echter weer in een uitbundig kleurenpalet.

Sárika Góth, geboren in 1900 in Wenen, trad in de voetsporen van haar ouders. en begon ook een schilderscarrière. In 1918 ging ze naar de Academie in Den Haag. Haar vroegste werk op de tentoonstelling, een vrouwenportret met vette contouren en een overtuigende lijn, ademt kracht en durf. Maar al snel specialiseerde Sárika zich als schilderes van kinderportretten van een teerheid die bijna weeïg is. Pas in het vrije werk vanaf het einde van de jaren vijftig – collages, aquarellen, druksel en monotypen met een beduidend abstractere inslag – keert de aanvankelijke kracht weer terug.

Tot haar dood in 1992 bleef Sárika Góth wonen, werken en exposeren op Walcheren. In Veere begon ze een antiekzaak waarin het werk van haar vader een vaste plaats kreeg. Haar eigen werk is nooit modieus of vernieuwend geweest; ze volgde net als haar vader haar eigen obsessies.

Tentoonstelling: Een onbarmhartig mooi erfdeel.

In het Marie Tak van Poortvliet Museum, Ooststraat 10a, Domburg. Tel. (0118) 584618. Open: di-zo 13-17u. Publicatie van Francisca van Vloten: ƒ 49,50.