`Tijd voor onderzoek munitie'

De rijksoverheid moet de munitieresten uit de Tweede Wereldoorlog opruimen die nog onder de Nederlandse stranden begraven liggen. De kustgemeenten vragen om een grootschalig en systematisch opsporingsonderzoek omdat niet duidelijk is hoeveel onontplofte munitie nog aanwezig is. Door erosie van de kust komen volgens het Overlegorgaan Noord-Hollandse kustgemeenten steeds vaker resten aan het oppervlak waardoor gevaarlijke situaties ontstaan.

Tussen januari en mei zijn alleen al op het strand bij Egmond aan Zee 19 stuks munitie gevonden. Het ging dan vooral om handgranaten en landmijnen, volgens burgemeester E. Brommet. Als voorzitter van het overlegorgaan heeft hij ook kritiek op de ,,merkwaardige'' financiële vergoeding voor het verwijderen van munitie, waarbij de kosten van de schoonmaakacties tot maximaal vijf gulden per inwoner worden gecompenseerd. De gemeenten huren het strand slechts van de overheid en zijn niet verantwoordelijk voor het onderhoud, volgens Brommet. Op dit moment moeten de gemeenten voor elk incident bij het Explosieven Opruimingscommando (EOC) aankloppen dat vervolgens voor een enkele granaat of landmijn uitrukt.

Op de Nederlandse stranden zijn na de Tweede Wereldoorlog zogenoemde springputten gegraven waarin de overtollige mijnen, granaten en patronen door de geallieerden tot ontploffing werden gebracht. Volgens Brommet was het niet ongebruikelijk dat zo'n dertig procent van die munitie niet ontplofte. Het probleem is dat bij het ministerie van Defensie niemand van de lokatie van de springputten op de hoogte is.

In navolging van Noord-Holland beraden ook de Zuid-Hollandse gemeenten, verenigd in het Provinciaal Overleg Kustgemeenten (POK), zich op de situatie. Vanmiddag zou het POK op ambtelijk niveau over de problemen rond de munitieresten overleggen.