`Ring' eindigt met inferno in een wolkenkrabber

Echte bliksem en donder begeleidden gisteren het laatste deel van Wagners `Ring' waarin de goden-

wereld in een inferno ten onder gaat. De boodschap van regisseur Jürgen Flimm is duidelijk: de mens is slecht, echte liefde bestaat niet en er is geen reden tot hoop.

Vlak voor het begin van Götterdämmerung en nog eens pal voor het begin van de derde akte, barstte gisteren boven Wagners Festspielhaus in Bayreuth telkens een geweldig onweer los. Het was alsof Wotan met bliksem en donder aan regisseur Jürgen Flimm wilde tonen dat hij nog wel degelijk regeert in de hemelen boven Bayreuth, al wordt in de nieuwe productie van Der Ring des Nibelungen zijn goddelijkheid ontkend en gaat in Götterdämmerung de godenwereld tenonder. Flimm stelt Wagners goden en helden voor als `menselijk, al te menselijk' en citeert daarmee het finale oordeel over Wagner van Nietzsche, die begon als de grootste vereerder van de god Wagner.

Götterdämmerung is een aantrekkelijker, gedetailleerder en wat beter gezongen voorstelling dan de saaie Siegfried en de toeschouwers hadden er een kwartier applaus voor over. Boegeroep bleef nu achterwege, de publieke strafexercities bij Siegfried waren kennelijk een voldoende uitlaatklep geweest en Jürgen Flimm verscheen aan het eind van de tweede cyclus niet op het podium. Na Hagens aansporing aan Siegfried `So singe, Held!' zong Wolfgang Schmidt inderdaad wat beter. En ook de slotscène werd door Gabriele Schnaut redelijk gezongen.

John Tomlinson (Hagen) en Günter von Kannen (Alberich) waren verreweg de beste zangers in Göttterdämmerung, waarin het toch ook erg gaat om de – hier nogal onbeduidend gezongen – rollen van Gunter en Gutrune. De beide Gibichungen opereren hier in een high-tech-kantoor met veel werknemers, die worden gedrild door Hagen. De sluiten van de Blutbrüderschaft tussen Gunter en Siegfried is zoiets als het beklinken van een fusie. Dat het afloopt met moord en doodslag tussen directie en commissarissen, lijkt tegenwoordig nauwelijks meer dan een fait divers.

Opmerkelijker is het slot van de Ring. Als het inferno in de Walhalla-wolkenkrabber is uitgewoed, zien we daar een verwijzing naar Wagners volgende opera: de kleine Parsifal is onderweg naar de glimmend glanzende Graalsburcht om daar de duivel Klingsor te bestrijden. Als Flimm Parsifal zou regisseren, zou hij dan ook de goddelijkheid van God betwijfelen?

De vraag is ook wat Flimms enscenering van de Ring nu werkelijk artistiek oplevert. Het plaatsen van het zestien uur durende mythische werk in het heden is geen bijzondere verdienste. Peter Sellars is met dat procédé beroemd geworden. Als het al te concreet wordt, werkt dat ook hinderlijk afleidend, zoals het met schuim en scheermes ontharen van een been van een van de Rheintöchter. Maar Jürgen Flimm en zijn ontwerper Erich Wonder brengen naast de directe herkenbaarheid van ons dagelijks leven ook scenes die veel vrijer aandoen dan bij Sellars en die vooral refereren aan vroeger en elders.

Wagners personages zijn hier verdwaald, ze voelen zich nergens thuis en krijgen daardoor toch weer een mythische dimensie. Wotan is een louche projectontwikkelaar die in zijn boosheid met computers smijt. Maar hij loopt ook rond met een middeleeuwse speer, niet met een machinegeweer. Siegmund en Siegfried zijn met hun ruige buitenkleren en hun zwaarden al evenzeer Wagneriaanse archetypes. De voortdurende decorwisselingen, vele achter gesloten doek, zijn zeer ouderwets. En nog nooit zag ik zoveel geheel volgeschilderde achterdoeken, tussendoeken en voordoeken. Flimm fundeert het Bayreuth van anno 2000 weer in de 19de eeuw.

Daardoor krijgt de enscenering van Flimm en Wonder ook iets van een zappen langs Wagners opera-oeuvre. Het heden van zijn Ring rust op een minutieus bestudeerd verleden. Dat de reuzen Fasolt en Fafner hier verschijnen als indianen, gaat ongetwijfeld terug op een opmerking van Cosima Wagner, die in 1876 in haar dagboek over de Ring-première schreef dat de kostumering smakeloze onzin is en van iedereen indianen maakt.

Deze Ring-productie is een bezoek aan de Wagner-site en biedt van alles wat, ook in het dirigeren van Giuseppe Sinopoli. Telkens opnieuw klinken opvallende en prachtig gespeelde passages uit de Bayreuther orkestbak, de mystieke afgrond. De sterk aangezette variëteit aan sferen, van kamermuzikale soli tot sonore orkestrale sidderingen, van de lichtste lieflijke lyriek tot de zwaarste zwalpende zwartgalligheid, is epaterend. Met al dat auditieve en visuele inzoomen op de kleine gebeurtenissen laten Flimm en Sinopoli Wagners Gesamtkunstwerk ook enigszins in overbelichte fragmenten uiteenvallen.

Ondanks alle afwisseling heeft deze Ring één duidelijke kern, al is die conceptueel en wordt die niet zichtbaar in een consistente symboliek. Flimm meent dat er voor de mensheid geen fraaie toekomst en geen hoop is omdat er geen echte liefde is. Dat was in 1990 ook al de boodschap van Flimms Amsterdamse productie van Mozarts Così fan tutte, waarin het redeloze, onbedwingbare liefdesgevoel werd afgeschilderd als een verwoestende vulkaanuitbarsting, een helse natuurramp.

Flimm noemt zelf zijn kijk op de mens deprimerend en dat is zijn enscenering ook. De theatervakman Flimm slaagt erin zijn levensinzichten pregnant te etaleren: nooit zag ik zo'n schrikwekkend pessimistische Ring. Niet alleen is de mens volgens de fatalist Flimm tot veel slechts in staat, hij is zelfs uitsluitend slecht. Zoals steeds bij Flimm is dat overigens op enigerlei wijze terug te voeren op Wagner zelf. Diens laatste, in Venetië geschreven woorden waren `Liebe-Tragik'.

Tegen dat noodlotsidee heerst weerzin in de zaal. Want dat er nooit en te nimmer waar ook ter wereld zelfs maar enige hoop is op menselijkheid en ware liefde, is een hoogstpersoonlijke interpretatie van Flimm, die ik, naar ik meen ook namens anderen, uit eigen ervaring kan tegenspreken.

    • Kasper Jansen