Hoofdpijnregeling voor pompstations

Ondoorzichtige afspraken en eigendomsverhoudingen in de benzinewereld ontnemen de overheid alle lust tot steun aan gedupeerde pomphouders. Van subsidies krijg je hoofdpijn, luidt de conclusie.

Het was zo goed bedoeld. Maar de grote oliemaatschappijen namen een loopje met de subsidieregeling voor pompstationhouders in de grensstreek. En toen werd de goedbedoelde regeling ,,een hoofdpijnregeling'', zoals een medewerker van het ministerie van Financiën het vanmorgen noemde.

Even terug: de VVD- en CDA-fracties in de Tweede Kamer maakten zich in 1997 grote zorgen over de Nederlandse pompstationhouders in de grensstreek, omdat het prijsverschil met een liter Duitse benzine was opgelopen tot soms 40 cent per liter. Veel klanten reden daarvoor naar Duitsland. Minister Zalm kwam met een regeling waardoor de 633 pomphouders die aantoonbare schade opliepen in drie jaar tijd ieder maximaal 100.000 euro subsidie konden krijgen. Meer was niet toegestaan vanwege de Europese de minimis-regeling voor staatsteun.

Zo gezegd, zo gedaan, dachten ze op Financiën. Het subsidiepotje van 126 miljoen gulden liep snel leeg richting de grens. En toen begon de ellende pas goed. Brussel, voormalig Euro-commissaris Van Miert van Mededinging in dit geval, had beter in de gaten hoe de benzinemarkt in elkaar steekt dan Zalm. Want was het niet zo dat verschillende overheden al jaren proberen aan te tonen dat pomphouders prijsafspraken maken met hun oliemaatschappijen? En compenseerden die maatschappijen hun afnemers niet zelf al voor inkomensdalingen als gevolg van te grote verschillen met de concurrent? Stuur die informatie maar eens naar ons toe, zei Van Miert, dan bekijken wij wel even of die subsidies terecht zijn.

Dat was tegen het zere been van de oliemaatschappijen. Enige tijd later stonden grote dozen met informatie te wachten in de gang van het Brusselse kantoor van Van Miert, maar de gegevens van Shell ontbraken. De oliegigant had geen zin zich in de kaart te laten kijken – dan maar geen subsidie.

Van de 633 pompen weigerden er uiteindelijk 250 de gevraagde informatie te verschaffen. Van de 383 pomphouders die wel informatie leverden bleek meer dan de helft geen recht op de subsidie te hebben. Redenen: afspraken met de oliemaatschappijen over compensatie van de inkomensdaling, of verscheidene pompstations in de handen van één rechtspersoon. Daardoor liep de subsidie per rechtspersoon op tot een veelvoud van de maximaal toegestane 100.000 euro in drie jaar en was sprake van staatssteun. En dat mag niet. De 250 `deserterende' pompstationhouders konden hun subsidie sowieso vergeten.

Terugvorderen dus, oordeelde Brussel. De vereniging van pompstationeigenaren tekende protest aan. Financiën moest maar opdraaien voor de schade; het had immers subsidies verstrekt zonder goed op te letten of die terecht was. Financiën ging daar tegen in beroep. Deze zaak loopt nog bij het Europese Hof van Justitie.

Uit nader onderzoek van de 250 pompstationhouders die eerder weigerden informatie te verstrekken is gisteren gebleken dat 143 van hen toch recht hebben op subsidie. Die wordt alsnog verstrekt, hoewel de regeling sinds februari dit jaar is afgeschaft wegens de afgenomen prijsverschillen tussen Duitsland en Nederland. Financiën moet echter nog wel achter de te veel verschafte subsidies aan en zal moeten aantonen dat veel pompstationhouders ten onrechte geld hebben gekregen. Dat wordt een proces van jaren, zo luidt de verwachting. Het had voorkomen kunnen worden als het ministerie beter had opgelet alvorens de subsidie te verstrekken.

Idealiter had Financiën de subsidie liever verstrekt in de vorm van een accijnskorting voor de betrokken pomphouders, want dat is minder fraudegevoelig. De Kamer besliste echter anders. Nu kost de subsidieregling de overheid vooral veel hoofdbrekens en extra geld.

Hoofdpijn krijgen ze ervan bij Financiën. Gelukkig zullen prijsverschillen zoals in 1997 in de toekomst niet meer voorkomen, verwacht Zalm. De Europese Unie is inmiddels zoveel opgeschoten met de onderlinge afspraken over BTW en accijnzen dat individuele lidstaten niet meer zo snel zullen `stunten' met de belastingen.

    • Egbert Kalse