Geweld, mythe en erotiek op Balinese kunstwerken

Alles gebeurt tegelijkertijd op Balinese kunstwerken, het is een drukte van jewelste. Een rivier stroomt bijna beeldvullend over het doek. Op de achtergrond vulkanen, palmbomen ervoor. In de verte een sawah met rijstbouwer, buffels. In het water baden zes nimfen. Het loof aan weerskanten is dichtbebladerd, het lijken gordijnen die openschuiven en zicht geven op een toneelvoorstelling. Een baboe reikt een kind aan een van de baadsters. Op het droge kamt een andere vrouw haar zwarte haar. In een hutje een man en vrouw. Rechts in het hoekje een andere man die, verscholen achter een boom, het kleed steelt van een van de baadsters.

De stiekeme dief is de hoofdfiguur van deze gewassen pentekening op papier, gemaakt door I Made Soekarja (1912-1988). De allereerste keer was dit kunstwerk al in 1938 te zien in de Kunstzaal van Lier in Amsterdam. Nu is het tentoongesteld in het Fries Museum in Leeuwarden op de expositie Magie en Modernisme. Kunstenaars van Bali 1928-1942.

De weelderige, decoratieve overvolheid van dit werk is kenmerkend voor de vooroorlogse Balinese schilderkunst. Deze vlakvullende stijl ontbeert elk perspectief. Aanvankelijk dienden Balinese kunstenaars één doel: het versieren van tempels en paleizen. Geen vakje in plafond of tegen de wand mocht onbenut blijven. Het was of een hallucinerend horror vacui hen dreef. Ze lieten zelden leegte op de doeken toe. Uit deze versierdrift ontstond de Balinese schilderkunst die in het begin van de 20ste eeuw werd ontdekt door westerse antropologen en schilders, als Walter Spies en Rudolf Bonnet.

De grote rechthoekige zaal van het Fries Museum heeft een gele, paarse, groene en blauwe wand. Zonder enige inleiding moet de bezoeker zijn weg zien te vinden. De bordjes naast de schilderijen geven uiterst summiere informatie. We moeten het stellen met titels als Mythologische scène, Verleidingsscène of Erotisch tafereel. En hoewel de samenstellers verwijzen naar de vorig jaar verschenen catalogus Pre-War Balinese Modernists maken zij fouten in de al te kort weergegeven titels. Het genoemde schilderij over de baadsters heet abusievelijk Zeven baadsters. Het zijn er zes. En de officiële, volledige titel luidt: Rajapala steelt de kleren van een van de zeven hemelse nimfen terwijl ze zich baadt. Het misverstand is ontstaan doordat de zevende baadster al op de kant zit. Bovendien had het Fries Museum minder gemakzuchtig en vooral eerlijker moeten zijn. Het doet voorkomen alsof het museum `een vergeten hoofdstuk uit de kunstgeschiedenis' presenteert, maar dat is meer dan onjuist. Een aantal werken hing vorig jaar in de Rotterdamse Kunsthal. Dit museum komt trouwens de eer toe het belang onderkend te hebben van de Balinese schilderkunst. Bovendien blijkt uit de catalogus dat sommige werken een tentoonstellingsgeschiedenis van meer dan een halve eeuw achter de rug hebben. Zo hing het heftige Gevecht met messen van Ida Bagus Made Widja (1912-1992) al in 1937 in de Bataviasche Kunstkring. Vervolgens reisde het naar het Stedelijk Museum en het Tropenmuseum, beide te Amsterdam. Na de oorlog kwam het terecht in Chicago, vervolgens in Bergen (NH) in Huize Kranenburgh, in Utrecht, Heidelberg en Den Haag. Zo `vergeten' zijn de Balinezen echt niet.

Gevecht met messen toont twee mannen met een scherp gebogen Indisch mes in de hand. Een derde is al neergestoken, bloedend ligt hij tussen hen in. De koppen van het drietal zijn grotesk en cartoonachtig getekend met opengesperde lippen en wilde ogen. Bagus heeft een trefzeker gevoel voor compositie. Juist in het midden houdt het stervende slachtoffer een hand op, als om de met een mes gewapende hand die gereed is toe te steken tegen te houden.

Geweld, mythe en erotiek: dat zijn de drie lijnen die in de expositie zijn terug te vinden. Elke man is reusachtig geschapen met een boomgrote fallus. Deze wellustig overspannen werken zijn een combinatie van artistieke zeggingskracht en aloude vruchtbaarheidsritus. In de erotische scène zoals Ida Bagus Ketut Soenia (1906-1990) die weergeeft met waterverf springt een goudgele draak op zo'n steenrode penis en scheurt er een reep uit. We moeten ernaar gissen wat dit bizarre en surrealistische tafereel te betekenen heeft. Angst? Erotiek en dood? Vertwijfeling over mannelijke potentie? Uitleg vind ik niet. De eigen fantasie wordt aangesproken. Dan zit ik vast aan Freud en andere Europese psychologie. Dat is jammer. Ik zou graag de oosterse symboliek willen weten. De catalogus geeft evenmin uitsluitsel.

De Balinese schilderkunst vertelt altijd een verhaal. In Verleidingsscène door I Resek verleidt een vrouw met openzwaaiende rode jurk een mediterende man, terwijl een andere vrouw de man waarschuwt. Of lacht ze hem uit? Het is moeilijk te zien. De man houdt de ogen toe. Het drietal is omringd door de weelderigste vruchten. Elk blad is verfijnd weergegeven met duidelijke contouren.

De Balinese mythologie is vooral vertegenwoordigd met de befaamde kecak-dans of apendans, een scène uit het Ramayana-epos. Honderden mannen zitten gehurkt, hun armen zwaaien in de hoogte. Dit is een kolfje naar de hand van de Balinese schilders. Al die handen, armen, voeten met tenen, sigaretlange vingers.

Onduidelijk is waarom deze Balinese schilders geassocieerd worden met het Modernisme. De Nederlandse schilders van de vernieuwing hadden tegen de Tweede Wereldoorlog allang hun eigen weg gevonden. Blijft de magie over in zijn vreemde, grillige vormen. Expressionistisch is het onjuiste woord. Eerder fascinerend en duizelig makend in die overdadige aandacht voor elk detail.

Tentoonstelling: Magie en Modernisme. Kunstenaars van Bali 1928-1942. Fries Museum, Leeuwarden. T/m 3/9, di-zo 11-17u. Cat. Pre-War Balinese Modernists. Prijs ƒ 49,90.

    • Kester Freriks