Siegfried bedolven onder boegeroep

De nieuwe uitvoering van Wagners opera `Siegfried' is in Bayreuth met een mix van applaus en hoon ontvangen. Titelvertolker Wolfgang Schmidt zong luid en lelijk, ook andere rollen stelden teleur.

Met de goden en helden loopt het in Wagners Der Ring des Nibelungen niet goed af. Maar dat kan ook worden gezegd van de nieuwe productie van regisseur Jürgen Flimm en ontwerper Erich Wonder, die in Wagners Festspielhaus op de Groene Heuvel in Bayreuth een derde Wagner-eeuw inluidt. Niet alleen de productie stelt velen teleur, ook het algehele vocale niveau is niet waarop men hoopt bij Wagner thuis. Al na de eerste twee aktes van Siegfried was er uit de zaal enig boegeroep, maar na afloop overstemde de publieke afkeuring ruimschoots de schaarse bijval.

Terwijl anders het publiek in Bayreuth graag een half uur klapt voor zangers, dirigent en musici, duurde de mix van boegeroep en applaus na Siegfried nog geen tien minuten. Nog voor dirigent Giuseppe Sinopoli zich had laten zien, vertrok al een deel van het publiek. De meeste achterblijvers bedolven hem onder hoon, die hij, als ware het de normale bijval, naar zijn onzichtbare musici in de orkestbak doorschoof, terwijl hij duidelijk boos was. Als er iets anders dan normaal verloopt, zijn de theaterconventies niet meer terzake en hopeloos inadequaat.

Vooral voor titelrolvertolker Wolfgang Schmidt waren zijn solo-verschijningen voor het doek, waarin hij met stramme blik golven van afkeuring over zich moest laten gaan, moeilijker momenten dan het onverschrokken verslaan van de draak tijdens de voorstelling. Schmidt weet uitsluitend in de schaarse zacht gezongen passages enige glanzende lyriek te produceren, verder zingt hij bijna alleen luid en lelijk.

Maar ook de vertolking van Mime door Michael Howard is teleurstellend. Hij oogt en klinkt te jong voor de rol van adoptiefvader van Siegfried. Zijn hoge dunne stem is veel te beperkt voor zo'n karakterrol, waarin hier vroeger werd geglorieerd door Graham Clark, vorig jaar ook de onvergetelijke Mime in de Amsterdamse Ring van Pierre Audi. Schmidt en Howard zijn niet alleen vocaal onder de maat, maar bovendien oninteressante acteurs.

Ook de Wotan van Alan Titus, hier in zijn verschijning als Der Wanderer, kan niet op tegen zijn voorganger John Tomlinson. Wotans einde nadert, zijn Walhalla ligt al half uit elkaar, maar in de weinig geconcentreerde vertolking van Titus neemt hij het erg terloops op. Alleen de Alberich van Günter von Kannen is een rol die men ideaal bezet kan noemen. Samen met Kim Begley als Loge maakte hij Das Rheingold tot een groot succes, maar hier heeft Von Kannen maar een kleine rol.

Dat alles maakt een voorstelling van Siegfried – toch altijd al moeizaam met dat vunze Stiefbeen en Zoon-mannenhuishoudinkje – een akelig langdurige zit. Ook het uit haar slaap wekken van Brünnhilde bracht daarin deze keer geen verandering. Het is geen wonder dat ze schrikt van de held Siegfried met de boerenpummeligheid van Schmidt. Het is geen wonder dat hij bang is voor haar, met Schnauts vervaarlijke vibrato en soms ongecontroleerde uithalen. Het liefdesduet was een angstig tegen elkaar opbieden in schreeuwzingen.

Wat enscenering betreft is het een origineel idee van Flimm om de smidse van Mime te situeren in de ruïne van het huis van Hunding. Bij de afwas sneuvelt Sieglindes zondagse servies: de kluns Siegfried kan niet eens afdrogen. En het opnieuw smeden van het zwaard Notung gebeurt hier op de plaats waar Wotan, bij het huwelijk van Hunding en Sieglinde, het zwaard in de es stak. Als het zwaard weer heel is, steekt Siegfried het weer even in de boom. Het past nog steeds.

In Amsterdam was het gieten en smeden van Notung met veel vuur en rook heel wat spectaculairder. In Bayreuth is het verslaan van de draak een complexere scène: als het veelvormige plastic gevaarte ineenschrompelt, blijken er talrijke lijken aan te kleven. Al staat er in Bayreuth een ren met levende kippen op het podium, in Amsterdam was het mengen van de eierrijke gifdrank waarmee Mime later Siegfried wil vermoorden, weer veel viezer en dus beter. En in Amsterdam was de vervoerende scène met de prachtig uitgedoste Waldvogel van een Tölzer jongenssopraan veel magischer dan wat hier nu gebeurt met een onzichtbaar zingende sopraan.

Maar dat zijn zaken aan de oppervlakte. Na de bijzonder onderhoudende uitvoering van de toch al zo handelingrijke eenakter Das Rheingold is er hier een groot gebrek aan detaillering – of Flimm heeft te weinig tijd gehad of heeft zich geen rekenschap gegeven van de veel grotere ensceneringsproblemen in de volgende, veel langademiger drieakters. In de hele Siegfried, van vier uur tot kwart over tien, is er maar één aardig moment: als Siegfried moeizaam op zijn hoorn probeert te blazen, pakt hij Wagners partituur erbij en dan lukt het, uiteraard.

Het echte probleem is dat Flimm zó antipathiek tegenover Wagners personages staat, dat ze een afstotend karakter krijgen. Het bijzondere van de Ring is altijd dat, hoe weerzinwekkend de gebeurtenissen ook zijn, het publiek meeleeft met goden, helden en Nibelungen en ondanks alles het beste met hen voorheeft. Flimm maakt een eind aan die herkenning van het menselijke. Wellicht dat daardoor ook de zangers er niet in geloven.

    • Kasper Jansen