's Werelds laatste krijgsgevangene is weer thuis

's Werelds laatste krijgsgevangene uit de Tweede Wereldoorlog is weer thuis, na 53 jaar van eenzaamheid in Rusland.

András Tamás, 75, is weer thuis – hoewel niemand precies weet of het werkelijk zijn thuis is: afgelopen vrijdag kwam de 75-jarige András Tamás in Boedapest aan, na 53 jaar in een psychiatrische inrichting in de Russische provinciestad Kotelnitsj te hebben gezeten. Nu leest hij Hongaarse kranten, tot het ochtendgloren, en keert stukje bij beetje zijn spraak en zijn herinnering terug na een stilte die 53 jaar heeft geduurd. Een verspild leven lijkt weer een beetje zin te krijgen.

Een verspild leven is het zeker. Tamás werd op 19 februari 1947 door de NKVD, de voorloper van de KGB, bij het kliniekje in Kotelnitsj afgeleverd, een krijgsgevangene met een zware psychose, uitgemergeld tot op het bot, op sterven na dood en in soldatenkleding die onvoldoende was voor de harde Russische winter, zonder documenten anders dan een nu vergeeld NKVD-document met de luttele tekst: ,,Overgebracht: Krijgsgevangene Tamas Andras, bij psychiatrisch instituut Kotelnitsj, diagnose psycho-neurose''.

In het schilderachtige stadje aan de Vjatka, een oude handelspost op 840 kilometer ten oosten van Moskou, zakte Tamás terug in een absoluut niets: hij sprak geen Russisch en niemand sprak Hongaars. Niemand wist zelfs dat hij een Hongaar was: het weinige dat hij sprak werd gezien als gebrabbel van een schizofrene zieke. Tot op de dag van vandaag spreekt Tamás geen Russisch (op enkele vloeken na). Tomka, zoals hij werd genoemd, vereenzaamde en had geen contact met wie dan ook, decennia lang. Hij maakte bezems in de kliniek, hielp met de paarden en bij de aardappeloogst en zat verder op zijn brits, een van de elf in de betraliede ziekenzaal, of op een bank in de tuin. Later kreeg hij het recht in de stad rond te wandelen, maar hij kwam nooit buiten de poort. Drie jaar geleden werd hem een been afgezet wegens gangreen. Als hij sindsdien al iets wilde, dan maar één ding, een houten been. De kliniek wilde hem graag kwijt want Tamás kreeg als buitenlander geen pensioen en hij kostte de kliniek dus geld, maar omdat niemand wist waar hij vandaan kwam wist ook niemand waar hij heen kon. Het Rode Kruis zocht, maar vond niets, en Tamás bleef waar hij was

Dat veranderde toen vorig jaar een bezoekende Slowaakse arts van Hongaarse afkomst in Kotelnitsj langskwam en zijn vermeende gebrabbel herkende als Hongaars. Maar niemand in en rond Kotelnitsj sprak Hongaars. Pas nadat een lokale krant over hem schreef werd de Hongaarse ambassade in Moskou ingelicht. Dat leidde tot de overkomst van dr András Veér, hoofd van het Nationaal Psychiatrisch en Neurologisch Instituut in Boedapest. Pas toen begon er iets te veranderen in het leven van de vreemde autist in Kotelnitsj, die na 53 jaar stilte ook zijn Hongaars vrijwel was vergeten: het bleef beperkt tot lettergrepen. Veér hielp hem zijn kennis terug te roepen door hem in het Hongaars het verhaal van Roodkapje te laten lezen. Het weinige dat sindsdien is teruggekomen is archaïsch, want vooroorlogs. De tongval is die van de Hongaren in Slowakije.

Stukje bij beetje is zijn geschiedenis achterhaald. Tamás maakte deel uit van het Hongaarse Don-leger dat in 1944 door het Rode Leger in de pan werd gehakt. Tienduizend soldaten sneuvelden, vele duizenden anderen werden gevangen genomen of kwamen om bij hun poging naar Hongarije terug te keren. Tamás kwam in een Siberisch kamp terecht, tot hij in Kotelnitsj werd afgeleverd. Hij herinnert zich nu ,,een regen van granaten'', een kampvuur, soldaten van het Rode Leger, een wagon waarin hij naar Siberië werd gebracht. Hij herinnert zich te zijn geboren in Túrócszentmárton dat nu Martin heet, een stad in Slowakije die tot 1918 in Hongarije lag maar in zijn geboortejaar 1925 al deel uitmaakte van Tsjechoslowakije. Maar hij herinnert zich niet of hij broers of zusters heeft. Zelfs van zijn naam is men niet zeker: of hij Tamás András heet, of András Tamás (beide namen kunnen zowel voor- als familienamen zijn) is onduidelijk, en in Slowakije kan men noch een familie Tamás, noch een familie András traceren. Inmiddels hebben zich in Hongarije mensen gemeld die zeggen met hem verwant te zijn, onder wie iemand die zegt dat András Tamás eigenlijk Balint Nemes heet en twee broers heeft, een Tamás en een András.

Bij aankomst in Boedapest, vrijdag (hij kreeg een paspoort, hoewel zijn naam, geboorteplaats en geboortedatum niet zeker zijn), herkende Tamás de Gellért-heuvel. ,,Ik ben in de hoofdstad'', zei hij. Hij verblijft nu in Veérs instituut en deelt er een kamer met een praatgrage metgezet, want, zo denkt Veér, een constante Hongaarstalige omgeving zal zowel zijn Hongaars als zijn herinnering terugbrengen. De volgende etappe is een prothese.