Prachtige regels uit de Poolse literatuur

Er staat bijvoorbeeld een hele bundel van Ceslaw Milosz in, in het Tijdschrift voor Slavische Literatuur dat een nummer aan de Poolse literatuur wijdde. Polen zal in oktober op de Buchmesse in Frankfurt in het middelpunt staan. Het is geen heel dikke bundel van Milosz, De wereld (een naïef dichtwerk), maar bijzonder is hij wel. In een stuk vooraf schrijft Kris van Heuckelom dat De wereld tot Milosz belangrijkste bundels hoort, maar hij werd zeker niet onverdeeld gunstig ontvangen. Het uit twintig gedichten bestaande dichtwerk is geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar de wereld die erin opgeroepen wordt heeft niets met de wereld zoals hij in de jaren veertig was te maken. De gedichten zijn naïef op de manier van naïeve schilderijen: een wereld zonder kwaad, in vrolijke kleuren, als gezien door een kind, zonder het perspectief van de volwassene. De angsten en dreigingen zijn kinderangsten en hebben niets te maken met de dreiging en angst die men in 1943 voelde. Hier gaat het over enge schaduwen op de trap: `De kop van een wild zwijn leeft, reusachtig op de schaduw', en over verdwalen in het bos:

`Vader waar ben je! Een donker bos, een wild bos./ Dichte struiken wiegen door het geloop van de dieren (-) Waar ben je vader? De nacht heeft geen grenzen,/ Voortaan zal er altijd duisternis zijn'.

Zo los geciteerd krijgen die regels wel degelijk een grotere existentiële betekenis, maar in de bundel wordt het bosgedicht gevolgd door `Het terugvinden', waarin de vader zegt: `Hier ben ik. Waarom toch die onbegrijpelijke vrees?' en hij wijst de kinderen op de wereld zoals die erbij ligt in al zijn lieflijkheid: `Daar beneden in het dorpje weerklinkt het klokje'.

Van Heuckelom meent dat critici die destijds aanmerkingen hadden op de utopische onschuld van deze bundel iets niet begrepen hebben. Net als het leven van mensen in de grote wereld bestaat ook het leven van deze kinderen uit angstige en blije momenten; na de griezelige nacht in het bos volgt weer de morgen. Zo ook is ,,de Tweede Wereldoorlog niet de herhaaldelijk aangekondigde Apocalyps, het is slechts een van de vele tragische breukmomenten in de geschiedenis der mensheid. Na zulke breukmomenten volgt telkens weer een wederopstanding.'' Misschien moet de bundel inderdaad zo gelezen worden. Hoe dan ook staan er schitterende regels in:

,,Hoop is, wanneer iemand gelooft,

Dat de aarde geen droom is, maar een levend lichaam,

En dat de blik, de aanraking en het gehoor niet liegen.

En alle dingen die ik hier kende,

Zijn als een tuin, en zelf sta je in de poort.''

Dit nummer heeft meer moois te bieden, al zou dit eigenlijk al voldoende zijn voor de aanschaf ervan. Er staat ook een prachtig fragment in van Miron Bailoszewski, `Herinneringen aan de opstand van Warschau'. Het zijn herinneringen die drieëntwintig jaar later opgeschreven zijn en die dat niet proberen te verhullen, wat ze een opmerkelijk waarachtige toon geeft. Er wordt heel veel heen en weer gelopen van adres naar adres, de opstand verloopt wanordelijk en onoverzichtelijk en aanvankelijk vol hoop en goede moed. We weten allemaal hoe het afgelopen is, dus die hoopvolle slordige actie klinkt meteen al schrijnend. ,,We hoorden kanonnen. Allerlei soorten. En toen een luid `Hoeraaaa...'''

Bijna alles in dit nummer is de moeite waard: de gedichten van de grote dichter Tadeusz Rózewicz, het verslag van een ontmoeting met een naar Duitsland uitgeweken Russische jood, door Hanna Krall, de schrijfster die als geen ander over de (vooral Poolse) herinneringen aan de jodenvervolging heeft geschreven. En dan is er nog altijd meer, in dit nummer, zoveel dat men denkt: Pools leren, dat is het beste.

Tijdschrift voor Slavische Literatuur, Pools nummer, juni 2000. Uitg. Stichting Slavische literatuur. Prijs ƒ12,50. Inl. (020) 5253081.

    • Marjoleine de Vos