Gemeenten gaan over de schreef met weren bordelen

Op 1 oktober vervalt het bordeelverbod. Sommige gemeenten doen er echter alles aan om prostitutie buiten de deur te houden. Gemeenten moeten zich realiseren dat het uitsluiten van legale sekshuizen tot onwenselijke situaties in het illegale circuit zal leiden, meent R.B.G. de Korte.

Het wordt het oudste beroep ter wereld genoemd: prostitutie. Officieel bestaat er sinds 1911 een landelijk bordeelverbod. Diegene die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door anderen met derden een beroep of gewoonte maakte, was vanaf dat moment – op papier – strafbaar.

Als een bordeelhouder zich bezig hield met de bedrijfsmatige exploitatie van prostitutie, dan trad de overheid, ondanks het bestaan van het bordeelverbod, niet altijd op. Prostitutie werd oogluikend toegestaan. Zo ontstond een florerende bedrijfstak, waar de overheid weinig greep op had. De aard van het verschijnsel en de gemarginaliseerde positie die het in de samenleving inneemt, maken het moeilijk een goed zicht te krijgen op de omvang ervan. Zeer ruw geschat werken 40.000 personen in de prostitutie. 45 procent van hen werkt in de prostitutiebedrijven, 35 procent in de raamprostitutie en 20 procent werkt in de straatprostitutie. Naar schatting is iets meer dan de helft van het aantal prostituees afkomstig uit landen die niet tot de EU behoren.

Hoe men ook aankijkt tegen het verschijnsel prostitutie, dat het bestaat is, een gegeven; ook voor de overheid. De wetgever meende het tot haar taak te rekenen enerzijds vormen van (exploitatie van) prostitutie, die wegens de vrijwilligheid ervan uit maatschappelijk oogpunt aanvaardbaar mogen worden geacht, toe te staan en condities te scheppen voor normalisering van het verschijnsel en anderzijds schadelijke vormen van prostitutie krachtig te bestrijden. Deze uitgangspunten zijn terug te vinden in het door het kabinet op 1 juli 1997 bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel waarin het bordeelverbod wordt opgeheven. Op 1 oktober treedt dit wetsvoorstel in werking.

De voorgestelde wetswijziging houdt het volgende in:

- Opheffing van het algemeen bordeelverbod en het verbod op het souteneurschap: de desbetreffende artikelen worden geschrapt uit het Wetboek van Strafrecht;

- Aanscherping van de strafbaarstelling van onvrijwillige prostitutie en seksueel misbruik van minderjarigen: de aanscherping van de strafbaarstelling van deze vormen van prostitutie is neergelegd in een nieuw artikel van het Wetboek van Strafrecht.

De opheffing van het algemeen bordeelverbod brengt een onderscheid aan tussen enerzijds niet-strafbare exploitatie van prostitutie en anderzijds (wel) strafbare vormen van exploitatie. Opheffing van het bordeelverbod maakt de weg vrij voor gemeenten om een effectief beleid inzake vormen van vrijwillige prostitutie te voeren. De centrale overheid heeft een sturende taak, voorzover het gaat om de totstandkoming van beleid en wetgeving op het terrein van het strafrecht, vreemdelingenrecht en de volksgezondheid. Het zijn echter de lokale overheden, die daadwerkelijk te maken hebben met het verschijnsel prostitutie. Zij dienen de voorwaarden te stellen waaronder prostitutie binnen hun gemeentegrenzen toelaatbaar is. Het gaat dan vooral om het bieden van een adequaat niveau van bescherming aan de in de seksinrichting werkzame prostituees en prostituanten.

Ten behoeve van de voorbereiding en de ontwikkeling van gemeentelijk prostitutiebeleid hebben vertegenwoordigers van de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken het handboek Locaal prostitutiebeleid geschreven. Dit handboek bevat onder meer een uitgebreid stappenplan voor het beleidsproces van het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van lokaal prostitutiebeleid. Onderdeel van dit stappenplan is het vaststellen van de uitgangspunten van het vergunningenbeleid. Diverse gemeenten beschikken inmiddels over een draaiboek, waarin een toetsingskader is opgenomen aan de hand waarvan kan worden bepaald onder welke voorwaarden personen een vergunning kunnen krijgen tot het bedrijfsmatig exploiteren van prostitutie.

Sommige gemeenten zijn mordicus tegen het fenomeen prostitutie. Zij doen er alles aan om prostitutie buiten de deur te houden. Katwijk en enkele dorpen op de Veluwe willen pertinent geen vergunning afgeven aan bewoners om in hun gemeente een seksinrichting te exploiteren. Aan deze overweging liggen veelal christelijke motieven ten grondslag. Deze beleidsmakers zien hierbij over het hoofd, dat het in zijn geheel weren van seksinrichtingen uit hun gemeente – vanuit juridisch oogpunt bezien – niet mogelijk is. Ook zal het weren van seksinrichtingen binnen de gemeentegrenzen om praktische redenen tot ongewenste situaties leiden. Een algeheel bordeelverbod van gemeentewege, op basis van de autonome verordeningsbevoegdheid, is hoogstwaarschijnlijk in strijd met artikel 19, derde lid, Grondwet. Ingevolge deze bepaling heeft iedere Nederlander het recht op vrije keuze van arbeid. Een beslissend oordeel over de rechtmatigheid van een op de gemeentelijke autonomie gegrond verbod is niet opgedragen aan het lokale overheidsorgaan, maar aan de rechter.

Het weren van bordelen zal binnen de gemeentegrenzen ook tot onwenselijke situaties leiden. Gemeenten dienen zich namelijk te realiseren, dat de `nuloptie-variant' tot voor de lokale overheid niet te controleren vormen van prostitutie leidt, zoals: thuiswerksters, 06-lijnen, callgirls, escortbedrijven en prostitutiehotelletjes. Het illegale circuit dus. Invoering van de nuloptie-variant doorkruist de grondgedachte van het wetsvoorstel opheffing bordeelverbod, namelijk het normaliseren en reguleren van vrijwillige vormen van prostitutie.

Een vergelijkbaar probleem heeft zich voorgedaan bij het hanteren van een nulstelsel als het gaat om het coffeeshopbeleid. Sommige gemeenten moeten niets hebben van coffeeshops en kozen daarom voor een nuloptie. Er wordt geen enkele coffeeshop getolereerd. Het niet willen afgeven van een vergunning aan een legale coffeeshop heeft in deze gemeenten geleid tot een wildgroei van dubieuze verkooppunten van softdrugs, met alle ellende van dien.

Analoog aan het voorbeeld van de coffeeshops kunnen gemeenten die op grond van geloofsovertuiging en/of andere, op zichzelf nobele overwegingen mordicus tegen prostitutie zijn beter één of meer vergunningen afgeven aan bonafide bordeelhouders. Dit voorkomt dat beleidsmakers, vanwege het gebrek aan een (door de gemeente erkende) seksinrichting worden geconfronteerd met een woud van, voor de lokale overheid niet te controleren en niet te beheersen, schimmige en illegale prostitutiegelegenheden.

Hét schoolvoorbeeld waaruit blijkt dat een gemeente kan beschikken over een goed lopende seksinrichting is het Alkmaarse project, de Achterdam. Twee bordeelhouders exploiteren daar, in nauwe samenwerking met gemeente, politie en hulpdiensten, 126 kamers. Prostituees kunnen à raison van 150 gulden per dag een kamer huren en de exploitanten zorgen voor rust en veiligheid. Het betreft hier weliswaar een proefproject, maar tot nog toe hebben zich daar vrijwel geen incidenten in de vorm van overlast, drugsgebruik en criminaliteit voorgedaan.

Gemeenten, die op grond van op zichzelf nobele overwegingen kiezen voor de nuloptie zullen op termijn worden geconfronteerd met een illegaal circuit van prostitutieinrichtingen. Deze gemeenten kunnen daarom beter één of meer vergunningen geven aan bonafide bordeelhouders. Het voorbeeld van het Alkmaarse project geeft aan dat een gemeente in principe kan beschikken over een nette en goed lopende seksinrichting.

R.B.G. de Korte is strafrechtjurist en oud-projectleider Cameratoezicht Prostitutie-inrichtingen Registratiekamer.

    • R.B.G. de Korte