Gebroken liefde

Het is altijd mijn hoop geweest op een obscure plek een voorwerp van ongekende schoonheid te ontdekken. De Britse reisschrijver Bruce Chatwin, die in Sotheby's werkte, beriep zich er op `the eye' te hebben, het feilloze vermogen kunst te onderscheiden van geraffineerde namaak. Dat idee bekoort me, in een duistere stofhoop de kleinste glimmer van kwaliteit te kunnen herkennen.

De medina van Tunis lijkt niet de meest aangewezen plek voor zo'n ontdekking. De rijen kitschhandelaren rijgen zich aaneen, het ene gebutste koperen bord nog lelijker dan het andere. De medina is niet alleen een toeristenfuik, maar ook een uitgestrekte woonwijk. Toen ik daar doorheen liep, stuitte ik op een straat waar uitdragerijen ijzer sloopten.

Op een gebladderde formica tafel stond een beeld dat meteen mijn oog trof. Ongeveer 70 centimeter hoog, beige craquelé. Het was een Balinese danseres die bevallig op een ontloken lotus trippelde. Op het eerste gezicht art deco uit de jaren twintig, toen er een wereldwijde `Bali-hype' heerste. Ik zette mijn zonnebril af om het beter te kunnen bekijken. Het materiaal was vreemd, een soort kunsthars, en het craquelé leek er overheen gespoten. Het beeld was gaaf. Jaren vijftig, was mijn uiteindelijke datering.

Ik had meteen de fantasie dat de danseres door een Franse koloniaal – misschien overgeplaatst uit Indochina – als souvenir uit Bali was meegenomen. Een souvenir uit de tijd van stoomboten, toen je nog onbeperkt bagage kon meenemen. Het beeld heeft beslist jaren in een Franse salon gestaan (vast ingericht met veel donker fluweel), misschien zelfs na de dekolonisatie van Tunesië in 1956. De danseres belichaamde een paar van mijn grootste passies: de decadente wuftheid van art deco, Nederlands-Indië, en koloniale romantiek. De vraagprijs was belachelijk hoog.

's Avonds kon ik niet slapen. Ik lag te draaien in de zwoele warmte, het laken plakte aan mijn billen. Iedere keer als ik me omdraaide, zag ik de lichte glimlach van de danseres. De lokkende bloemenguirlande langs haar oor kon ik bijna ruiken.

Als iets me niet loslaat, ga ik er achteraan. De volgende dag had ik nog kort tijd om naar het beeld te gaan kijken, voordat mijn trein vertrok. Gehaast liep ik de medina in. Maar alle steegjes lijken zo op elkaar, en ze zijn zo smal en ze kronkelen zo om elkaar heen, dat ik de winkel nergens kon vinden.

Ik werd steeds gejaagder, mijn herinnering aan de danseres werd met iedere stap scherper. Steeds duidelijker zag ik haar beige huid. Ik keek op mijn horloge – mijn laatste kans. Als het beeld voor mij bestemd is, vind ik het, dacht ik. Binnen een minuut stond ik voor de zaak.

De danseres was precies zoals ik me haar herinnerde. Aan de prijs viel niet te tornen. Voor een art deco pastiche uit de jaren vijftig vond ik die beslist te hoog. Ik twijfelde en liep weg.

Een paar uur later in de trein, steeds verder weg van Tunis, begreep ik niet waarom ik zo getwijfeld had. De danseres was voor mij.

De zes dagen die ik in het binnenland verbleef, zijn bepaald door de herinnering aan haar. Als ik even uitblies in een theehuis met een glaasje muntthee, verscheen haar beeld voor mijn ogen. Net zoals bij een verliefdheid op een vrouw van vlees en bloed. Ik voelde me precies zo wanhopig als in die eerste dagen wanneer je nog niet zeker weet of je je geliefde kunt omarmen, als je nog niet weet of je zo dicht bij haar mag komen dat je ieder detail van haar gelaat, van haar figuur, kunt indrinken.

In Tunis ben ik direct naar de medina gelopen. De winkel was dicht. De volgende dag ben ik er twee keer heengegaan. Beide keren zat er een stang met een hangslot voor de deur. De derde dag heb ik de eigenaar van de buurwinkel aangesproken. De man met wie hij stond te praten, had de sleutel van het hangslot. De uitdragerij bleek geen winkel, maar een loods. Toen ik de danseres voor de eerste keer zag, was ze buiten gezet om ruimte te maken zodat binnen gewerkt kon worden. Toen ik dat hoorde, wist ik zeker dat ze voor mij bestemd was. Ik heb de vraagprijs betaald.

Toen ik de danseres in mijn armen sloot, haar stenen borsten tegen mijn hals drukkend, voelde dat vertrouwd, alsof haar proporties gehouwen waren om in mijn armen te liggen. In het hotel moest ik bijna overgeven van opwinding. Nooit heb ik zo fysiek op een levenloos voorwerp gereageerd.

Mijn danseres was mooier dan ik had vermoed. Haar gezicht bleek Europees, een spottende lach om haar lippen, kort gebobt haar in de stijl van de jaren twintig. De afwerking was magnifiek: op de kleine pink waarmee ze de sleep van haar sarong optilde, zat een aandoenlijk klein nageltje. Ik keek ademloos naar haar – iets mooiers heb ik nooit gezien.

Bang om de schoonheid van haar af te kijken, rolde ik haar in de schuimrubber matras die ik had gekocht om haar bij het transport te beschermen. In Nederland kon ik zo lang naar haar staren als ik wilde. De matras schoof ik voorzichtig in een grote tas die ik met touw stevig samenbond. Tijdens de vlucht zou ik mijn geliefde niet uit het oog verliezen. Als handbagage kon haar niets gebeuren.

Daar dacht de inchecker van Air France anders over. Het pak was iets groter dan de voorschriften toestonden, ook al was ik de eerste die incheckte. Ik heb gepleit, gesmeekt, hij bleef onvermurwbaar. Er was een speciale service, daarvoor bestond zelfs een speciaal loket, en als ik mijn danseres daar afleverde, kon er niets met haar gebeuren: ,,Je vous assure, monsieur, avec tout mon coeur.'' Op mijn verzoek plakte hij twee stickers `fragile' op het pak. Vol ongenoegen gaf ik haar uit handen. De bagage-employé verzekerde dat ze met zorg geladen zou worden.

Op Schiphol, toen ik bij de bagageband stond te wachten, zag ik uit een ooghoek dat de aanvoeropening de blauwe plastic tas van mijn danseres uitbraakte. Er zat geen box omheen, niets.

Met een doffe klap smakte ze op de band. Toen ik haar voorzichtig oppakte, lag ze levenloos en gebroken in mijn armen. Uit de tas klonk dof geknars waar de randen van een breuk tegen elkaar aanschuurden. Nou, bedacht ik met tranen in mijn ogen, een geliefde met een lidteken is ook mooi.

Thuis heb ik haar matrasmummie voorzichtig opengeknipt om de schade in ogenschouw te nemen. Mijn danseres was in vijf stukken gebroken. Haar nek geknakt. De sleep van haar sarong afgescheurd, haar kleine pinkje verpulverd tot gruis. Haar voeten afgereten, haar bloementooi verscheurd. Alsof ik naar de nasleep van een verkrachting staarde. Wáárom heb ik in Tunis niet langer naar je gekeken, was het eerste dat door me heenschoot.

,,Hè, dat is nou shit'', zegt het meisje van Air France dat ik de volgende ochtend met mijn razernij overval. Ze laat een schaderapportje opmaken en biedt aan dat ik een claim indien. Maar daarmee krijg ik mijn gebroken geliefde niet terug. Zij is mij definitief ontglipt – feeën uit het stoomtijdperk verdragen geen vliegtuiggeweld.

    • Alexander Bakker