Afrika heeft niets te verwachten van globalisering

De heilsverwachting die wordt gekoppeld aan de globalisering van de wereldeconomie, zal voor Afrika een fata morgana blijken te zijn, verwacht Henk Overbeek.

Ook Afrika doet zijn voordeel met globalisering, zo luidt de blijde boodschap van Dick Bol in deze krant van 3 augustus. Globalisering zal ons uiteindelijk vooruitgang, rijkdom en geluk brengen, of we nu in Westerse wereldsteden of op het Afrikaanse platteland wonen. We hoeven ons er slechts voor open te stellen om het wonder deelachtig te worden. `Globalisering' is in deze opvatting de ontwikkeling naar grotere openheid in de wereldeconomie: liberalisering van de handel, terugdringing van de rol van de overheid. Deze grotere openheid genereert economische groei, en economische groei kan leiden tot vermindering van de armoede. Als regeringen hun economie aan deze opgaande spiraal koppelen en de markt zijn werk laten doen, zal alles goed komen.

Maar werkt globalisering wel zo?

In 1998 exporteerden de landen in Afrika ten zuiden van de Sahara 30 procent van hun bruto binnenlands product (BBP), nauwelijks minder dan de succesvolle landen in Zuidoost-Azië en aanzienlijk meer dan de rijke landen. Echter, juist deze openheid speelt Afrika parten. De prijzen voor de belangrijkste Afrikaanse exportproducten zijn aan grote schommelingen onderhevig. Zo daalde de prijsindex voor primaire producten (80 procent van de Afrikaanse export) in de jaren 1997-1999 liefst met een kwart. Ondanks de snelle groei van het volume is de koopkracht van de Afrikaanse export nu lager dan aan het begin van de jaren tachtig.

Ook in ander opzicht zijn Afrikaanse economieën heel open. Geen continent staat zo open voor de toevloed van buitenlands kapitaal, die in het midden van de jaren '90 meer dan een tiende vertegenwoordigde van het BBP. Het merendeel hiervan is afkomstig van overheden en internationale instanties (`officieel kapitaal') en is bedoeld om de ontwikkeling te financieren. Tussen 1994 en 1999, toen het proces van globalisering in een stroomversnelling kwam, liep de toevloed van officieel kapitaal naar Afrika echter drastisch terug. In reële termen halveerde die toestroom per hoofd van de bevolking. Globalisering heeft Afrika in dit opzicht dus bepaald geen voordeel gebracht. Dat wil zeggen: voor zover men het ontvangen van ontwikkelingshulp tenminste als voordelig kan bestempelen, natuurlijk.

Globalisering en openheid leiden ook helemaal niet vanzelfsprekend tot economische groei. Als enig deel van de wereld vertoont sub-Sahara Afrika over de periode 1975-1999 een gestaag dalend inkomensniveau. Verdiende de gemiddelde Afrikaan, gemeten in constante dollars van 1987, in 1975 nog 670 dollar, in 1999 was dat gedaald tot 520 dollar. Alleen de voormalige communistische landen in Europa en Centraal-Azië deden het slechter. En in Afrika daalt het inkomen nog altijd.

Leidt economische groei bovendien eigenlijk wel tot vermindering van armoede? Dat economische groei noodzakelijk is voor armoedebestrijding, lijkt voor de hand te liggen, maar groei blijkt daartoe allerminst voldoende. Niet alle groei is goed. Voor armoedereductie moet groei allereerst plaatsvinden in de landbouw voor de eigen markt (zo is ook de groei in China en India van de grond gekomen) en niet in de exportlandbouw die in Afrika op aandrang van het IMF zo wordt gestimuleerd. Verder heeft economische groei positievere inkomenseffecten voor de armen naarmate de inkomensverdeling gelijker is of wordt. Dit was een heel belangrijke factor in Oost-Azië. Helaas neemt onder invloed van `globalisering' de ongelijkheid alleen maar toe; tussen landen, binnen landen, en wereldwijd.

De rijke landen groeien al sinds het midden van de 19e eeuw sneller dan de arme. In 1820 was de kloof tussen het rijkste land (Engeland) en het armste (China) 3:1; in 1992 was de kloof tussen de VS ( het rijkste land) en Ethiopië (het armste) 72:1. Bovendien zijn de armste landen ook in absolute zin armer geworden. In 1820 verdiende de gemiddelde Chinees 523 dollar (in dollars van 1990), terwijl de gemiddelde Ethiopiër het in 1995 met 300 dolllar moest stellen.

Ook de inkomensongelijkheid binnen landen is in de afgelopen decennia aanzienlijk toegenomen, niet alleen in de voormalige Sovjet-Unie - waar de ongelijkheid Latijns-Amerikaanse proporties heeft aangenomen - maar ook in de meeste westerse landen.

Het meest schokkend zijn wellicht nog de gegevens over de inkomensongelijkheid tussen wereldburgers. De drie rijkste mensen ter wereld bezitten tezamen meer dan alle minst ontwikkelde landen bij elkaar jaarlijks produceren. Een jaarlijkse afdracht van 1 procent van hun bezit door de 200 rijkste mensen op aarde, zou voldoende opleveren om alle kinderen in de wereld toegang tot lager onderwijs te geven. Anderzijds: in Afrika bedraagt het analfabetisme meer dan 40 procent, de gemiddelde levensverwachting is gedaald tot 48 jaar, het aantal mensen dat van minder dan 1 dollar per dag moet leven is tussen 1987 en 1993 met bijna 30 miljoen gestegen tot 219 miljoen ( tweevijfde van de bevolking), en een kwart van de Afrikanen heeft geen toegang tot betrouwbaar drinkwater.

De problemen waarmee Afrika worstelt zijn lang niet alleen aan globalisering te wijten. De Afrikanen zullen met enorme interne problemen moeten afrekenen voordat zij zicht krijgen op een betere toekomst. Maar te verwachten dat globalisering ze daarbij zal helpen is een gevaarlijke illusie. Globalisering produceert en verdiept ongelijkheid en biedt de armen in de wereld allerminst uitzicht op een beter leven. De heilsverwachting die Dick Bol aan globalisering verbindt zal voor het overgrote deel der Afrikanen nog heel lang een fata morgana blijven.

Henk Overbeek is docent internationale betrekkingen bij de afdeling Politicologie en Bestuurskunde van de Vrije Universiteit.

    • Henk Overbeek