Separatisten plegen geweld om geweld

Geweld van etnische of nationalistische bewegingen is, eenmaal op gang gebracht, zo onstuitbaar als de bosbranden die op dit ogenblik het westen van de Verenigde Staten teisteren – het houdt pas op als het is uitgewoed.

Frankrijk heeft de meest verregaande poging sinds jaren ondernomen om een compromis te bereiken in het streven van Corsica naar autonomie of onafhankelijkheid, en een nationalistische leider die voorstander van de dialoog was, is vermoord.

ETA, de ondergrondse groepering die streeft naar Baskische onafhankelijkheid, heeft haar moordcampagne hervat, ondanks het staakt-het-vuren dat ze had afgekondigd.

Noord-Ierland lijkt schoorvoetend op weg naar berusting in een eigen regionaal bestuur, maar de dreiging van nieuw dodelijk geweld is nog niet geheel bezworen.

In Rusland is zojuist een bloedige bomaanslag in het centrum van Moskou gepleegd. Het is nog onduidelijk wie erachter zit. Maar net als na de nog altijd onopgeloste bomaanslagen op flatgebouwen van een jaar geleden, wordt van officiële zijde gezegd dat de schuldigen Tsjetsjenen moeten zijn.

Tijdens hun recente bijeenkomst op Okinawa, hebben de G-8, de acht voornaamste industrielanden, het internationale terrorisme op hun lijst van zaken gezet die zeer zorgwekkend zijn en gezamenlijk optreden vereisen. Veel frequenter en bedreigender in tal van landen is echter het terrorisme van binnenlandse organisaties die een of ander separatistisch doel nastreven.

In de 19de eeuw gaven nationalistische bewegingen in vooral Midden-Europa uiting aan hun liberalistische verzet tegen de oude dynastieke overheersing. Zij bevochten het recht van volkeren om voor zichzelf te spreken. Woodrow Wilson bepleitte het `zelfbeschikkingsrecht' als een grondbeginsel van de vredesakkoorden na de Eerste Wereldoorlog, die hij had betiteld als `de oorlog die aan alle oorlog een eind maakt' en die de democratie moest redden.

Maar tegenwoordig moeten we constateren dat in democratische landen de toevlucht tot georganiseerde moord voor een dergelijk doel duidt op een geringe aanhang. Wanneer die aanhang sterk is, vindt de democratie wel andere middelen om dergelijke kwesties te regelen, zoals de geruisloze scheiding tussen de twee delen van Tsjechoslowakije, de verstrekkende regionale autonomie in het Spanje van na Franco of de devolution van bepaalde wetgevende bevoegdheden in het Verenigd Koninkrijk.

De bewering `het enige wat ze snappen is geweld' is te logenstraffen, en de weerlegging ervan legt de bijl aan de wortel van het doen, het denken, het krachtige identiteitsbesef dat militante groeperingen zich aanmatigen als reden voor hun bestaan. Zij geven die identiteit zeer ongaarne op, omdat de clandestiene guerrilla (`kleine oorlog') voor hen tot een levenswijze is geworden. Hun onafhankelijkheidseis kan verworden van heilig doel tot excuus om stug te blijven doorvechten.

Vrede kan, ondanks haar milde aureool, een bedreiging worden van hun zelfbeeld en hun aspiraties, en kan om die reden worden afgewezen, zij het altijd met het argument dat elk compromis verraad aan de zaak zou zijn: alleen de eindzege telt.

Dat geldt voor velen in het Israelisch-Palestijnse conflict – in de minderheid, maar daarom niet minder onverzettelijk – wier strijd geen burgeroorlog is in die zin dat ze zichzelf reeds als volstrekt afzonderlijk en gescheiden beschouwen, maar wel een burgeroorlog is in de zin dat zij elkaar hetzelfde land betwisten.

De vraag wordt die naar de onderlinge prioriteit van principes – de vraag hoeveel andere gekoesterde heilsverwachtingen opwegen tegen vrede. Ze kan verworden tot een strijd tussen abstracties, of zelfs tussen semantische waarden, zodat de eigenlijke kwesties van leven en dood van de voorgrond worden verdrongen door schijnheroïek.

Het plan voor Corsica van de socialistische Franse regering is op openlijk verzet gestuit van de minister van Binnenlandse Zaken, Jean-Pierre Chevènement, die zijn onwrikbaar geloof belijdt in `één ondeelbare' Franse republiek zoals verkondigd in de tijd van de Franse Revolutie na een ruzie tussen centralisten (Jacobijnen) en regionalisten (Girondijnen).

Door sommigen wordt dit nu opgevat als een argument om elke vorm van regionale differentiatie, of federalistische tendens, bij voorbaat uit te sluiten – niet alleen op nationaal niveau maar ook daarbuiten, in de vormgeving van de Europese Unie.

De eed van trouw aan de vlag van de VS luidt weliswaar eveneens dat die `één natie, ondeelbaar' vertegenwoordigt, maar deze formulering beoogt geen moment het federalisme dat de grondstructuur van het land vormt, in twijfel te trekken. De eed is geschreven in 1892, wat natuurlijk al een hele poos na de Amerikaanse Burgeroorlog was, en heeft later van het Congres officiële status gekregen. Wat dat `ondeelbaar' nu precies betekent in relatie tot een levende, zich ontwikkelende samenleving die streeft naar een fundamentele eenheid, is uit de aard der zaak vatbaar voor interpretatie al naar gelang tijd en plaats.

De langdurige, traditionele spanning tussen centralisme en regionalisme is in Europa versterkt door de geleidelijke vestiging van een nieuw, hoogste bestuurlijke laag, de Europese Unie. En wellicht zal ooit, zij het zeker niet spoedig, de Verenigde Naties als het ultieme wetgevende orgaan worden erkend. De discussie zal voortduren.

Maar het feit dat het debat opener is dan ooit, gelegitimeerd, zoals bijvoorbeeld in Frankrijk, door dialoog, maakt het gebruik van geweld uit naam van separatisme kwalijker dan misdaad: het is namelijk irrelevant. Het is geweld louter om het geweld, en dat moet worden erkend.

Flora Lewis is columnist van de New York Times.

©NYT Syndicate